ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2602
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAZ-uitkering wegens gebrek aan arbeidskundige grondslag
Appellant, werkzaam als zelfstandige in de detailhandel, maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om per 28 augustus 1998 de WAZ-uitkering te beëindigen. De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard, maar appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische en arbeidskundige beoordeling onvoldoende rekening hield met zijn ernstige lichamelijke en psychische klachten, waaronder rugpijn.
De Raad oordeelde dat de medische gegevens, waaronder een neurologisch rapport uit 2004, niet relevant waren voor de peildatum van 28 augustus 1998 en dat het medische oordeel van de bezwaarverzekeringsarts juist was. Wel stelde de Raad vast dat de arbeidskundige schatting van het arbeidsongeschiktheidspercentage niet deugde, omdat de gebruikte functieslijst pas na de datum in geschil was geactualiseerd en daardoor niet als grondslag kon dienen.
Hierdoor ontbrak een deugdelijke arbeidskundige grondslag, wat leidt tot strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarnaast werden proceskosten en griffierecht aan appellant toegekend.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WAZ-uitkering per 28 augustus 1998 te beëindigen wordt vernietigd wegens gebrek aan een deugdelijke arbeidskundige grondslag.