ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2605

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-906 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na beoordeling arbeidsbeperkingen

Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV tot intrekking van zijn WAO-uitkering, die was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarbij zij zich kon verenigen met het belastbaarheidspatroon dat was vastgesteld door de verzekeringsartsen en gebaseerd op een expertiserapport van een orthopedisch chirurg.

Appellant voerde aan dat zijn beperkingen met betrekking tot zitten, staan en lopen niet juist waren meegewogen, omdat hij deze houdingen moest kunnen afwisselen om klachten te voorkomen. De Raad stelde vast dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 december 2003 reeds beperkingen op deze aspecten vermeldde, inclusief de eis tot afwisseling.

De Raad vond geen objectief-medische gegevens die de stelling van appellant ondersteunden dat zijn beperkingen verder gingen dan aangenomen. Ook de arbeidskundige grondslag van het besluit werd door de Raad als rechtens juist beoordeeld. Er waren geen gronden voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwde arbeidsbeperkingen.

Uitspraak

05/906 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 januari 2005, 04/670 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Vleugel, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2006. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door M. Florijn.
II. OVERWEGINGEN
Bij het bestreden besluit van 19 februari 2004 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 mei 2003 tot intrekking met ingang van 15 juli 2003 van zijn naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% berekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, zich kunnen verenigen met het ten aanzien van appellant in aanmerking genomen belastbaarheidspatroon, zoals dat door de primaire verzekeringsarts is opgesteld en nadien door de bezwaarverzekeringsarts, naar aanleiding van onder meer de uitkomsten van een door de orthopedisch chirurg A.J.J. Marissen uitgebracht expertiserapport, is aangepast. De rechtbank heeft noch in de van de zijde van appellant overgelegde verklaring van de neuroloog dr. C.J.M. Frijns, noch in hetgeen namens hem overigens is aangevoerd, aanleiding gevonden voor het oordeel dat appellant verdergaand beperkt is dan uiteindelijk vanwege het Uwv is aangenomen.
Ook heeft de rechtbank zich met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen.
In hoger beroep is namens appellant als grief aangevoerd dat bij het vaststellen van de voor hem geldende beperkingen ten onrechte geen rekening is gehouden met beperkingen ten aanzien van zitten, staan en lopen. Deze houdingen dienen te kunnen worden afgewisseld. Wil appellant een half uur achtereen kunnen zitten, dan moet hij tussendoor een of twee keer een paar minuten kunnen lopen, omdat anders zijn benen gevoelloos worden. Gelet op deze beperking acht appellant zich geen reëel aanbod voor de arbeidsmarkt.
De Raad ziet deze grief niet slagen. Uit de beschikbare verzekeringsgeneeskundige gegevens, waarvan onder meer de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 december 2003, komt naar voren dat reeds beperkingen voor appellant van toepassing zijn geacht ten aanzien van de aspecten zitten, lopen en staan. Voorts is in de FML als specifieke eis opgenomen dat appellant het zitten, lopen en staan moet kunnen afwisselen.
Voor zover appellant met het formuleren van vorenomschreven grief ervan is uitgegaan dat hij door de verzekeringsartsen van het Uwv in het geheel niet beperkt is geacht ten aanzien van de aspecten zitten, lopen en staan, dan moet mitsdien worden vastgesteld dat die grief geen steun vindt in de beschikbare feiten. Voor zover appellant de mening is toegedaan dat hij op genoemde aspecten verdergaand beperkt is dan reeds is aangenomen, dan kan hij in die opvatting evenmin worden gevolgd, bij ontstentenis van toereikende steun daarvoor in de voorhanden zijnde objectief-medische gegevens. Ook voor het overige is de Raad niet kunnen blijken van aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellant zijn onderschat.
Eveneens in navolging van de rechtbank heeft de Raad, ten slotte, ook geen aanleiding om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit rechtens niet juist te achten.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 november 2006.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.
EK2710