ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na beoordeling arbeidsbeperkingen
Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV tot intrekking van zijn WAO-uitkering, die was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarbij zij zich kon verenigen met het belastbaarheidspatroon dat was vastgesteld door de verzekeringsartsen en gebaseerd op een expertiserapport van een orthopedisch chirurg.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen met betrekking tot zitten, staan en lopen niet juist waren meegewogen, omdat hij deze houdingen moest kunnen afwisselen om klachten te voorkomen. De Raad stelde vast dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 december 2003 reeds beperkingen op deze aspecten vermeldde, inclusief de eis tot afwisseling.
De Raad vond geen objectief-medische gegevens die de stelling van appellant ondersteunden dat zijn beperkingen verder gingen dan aangenomen. Ook de arbeidskundige grondslag van het besluit werd door de Raad als rechtens juist beoordeeld. Er waren geen gronden voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwde arbeidsbeperkingen.