ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-werkloos worden door arbeidsovereenkomst
Appellant diende een aanvraag in voor een WW-uitkering per 6 oktober 2003. Het UWV stelde dat appellant niet werkloos was geworden omdat de arbeidsovereenkomst met [naam werkgever] nog liep vanaf 1 april 2003 en dat er geen sprake was van arbeidsurenverlies. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de arbeidsovereenkomst inderdaad vanaf 1 april 2003 liep, ondanks dat appellant een eerdere datum van indiensttreding aanvoerde.
Appellant stelde in hoger beroep dat de loonstroken en andere stukken bevestigen dat hij eerder in dienst was getreden, en dat de rechtbank in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel had geoordeeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank terecht het standpunt van het UWV onderschreef, mede omdat zowel appellant als werkgever op het aanvraagformulier 1 april 2003 als aanvangsdatum hadden ingevuld en de arbeidsovereenkomst deze datum vermeldt.
De Raad concludeerde dat appellant gezien de duur van de arbeidsovereenkomst van anderhalf jaar per 6 oktober 2003 niet werkloos was geworden in de zin van artikel 16, eerste lid, WW. Daarom was het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren terecht. De Raad wees ook een verzoek om vergoeding van proceskosten af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WW-uitkering per 6 oktober 2003 omdat hij niet werkloos is geworden door de geldende arbeidsovereenkomst vanaf 1 april 2003.