ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2966

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6420 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
WerkloosheidswetAlgemene wet bestuursrecht, Art. 8:75
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin werd geoordeeld dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) terecht de WW-uitkering had geweigerd omdat appellant niet voldeed aan de referte-eis. De Raad baseerde zich op de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank en de geldende bepalingen van de Werkloosheidswet.

Appellant voerde aan dat hij in de referteperiode gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, maar deze stelling werd niet met voldoende gegevens onderbouwd. De Raad sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat de referte-eis niet was vervuld.

De Raad oordeelde dat er geen gronden waren om af te wijken van het bestreden besluit en geen toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht was aangewezen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de referte-eis.

Uitspraak

05/6420 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 september 2005, 05/1636, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.P. Vandervoodt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen ook voor de Raad uitgangspunt voor zijn beoordeling.
3. Het gaat in dit geding om de vraag of de Raad de rechtbank volgt in haar oordeel dat het Uwv bij zijn beslissing op bezwaar van 3 maart 2005 (het bestreden besluit) op goede gronden heeft besloten het besluit van 20 januari 2005 te handhaven, waarbij appellant werd meegedeeld dat per 13 december 2005 geen WW-uitkering wordt toegekend omdat hij niet aan de referte-eis voldoet.
4. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en verenigt zich met de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. De in hoger beroep naar voren gebrachte stelling dat appellant in de voorverlengde referteperiode van 1 februari 1996 tot en met 10 oktober 1996, toen hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, ontving, niettemin volledig arbeidsongeschikt was, is volstrekt niet met enige nadere gegevens onderbouwd, zodat de Raad kan volstaan met een verwijzing naar het oordeel van de rechtbank.
5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006.
(get.) H. Bolt.
(get.) M.D.F. de Moor.