ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3008

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1910 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
  • A.H. Polderman-Eelderink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in WWB afgewezen

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden inzake een WWB-zaak. De Raad had het hoger beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet binnen de gestelde termijn van vier weken zijn beroepsgronden had ingediend en geen verontschuldiging voor dit verzuim had gegeven.

Appellant maakte bezwaar tegen deze niet-ontvankelijkverklaring door middel van verzet, maar verscheen niet op de zitting. De Raad oordeelde dat het verzet ongegrond was omdat appellant niet had voldaan aan de minimumeisen voor het indienen van beroepsgronden en onvoldoende had gemotiveerd waarom hij het niet eens was met de aangevallen uitspraak.

De Raad benadrukte dat in hoger beroep expliciet moet worden aangegeven waarom men het niet eens is met de eerdere uitspraak. Het enkele verwijzen naar eerdere bezwaarschriften is ontoereikend, zeker omdat appellant ook in eerste aanleg niet was verschenen en slechts verwees naar eerdere bezwaren.

De Raad zag geen reden om het eerdere oordeel te herzien en wees het verzet af zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 21 november 2006 door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/1910 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 februari 2006, 05/855
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,
(hierna: College)
Datum uitspraak: 21 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 4 juli 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 4 juli 2006 heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 24 oktober 2006, waar appellant niet is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer P.C. Caron.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 4 juli 2006 berust hierop, dat de beroepsgronden niet binnen de door de Raad bij aangetekend schrijven van 8 mei 2006 gestelde termijn van vier weken zijn binnengekomen en dat niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging zouden kunnen vormen voor dit verzuim.
In geding is de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
De gestelde termijn hield in dat de beroepsgronden uiterlijk op dinsdag 6 juni 2006 hadden moeten worden ingediend. De Raad stelt vast dat dit zonder geldige reden niet is gebeurd.
Naar aanleiding van hetgeen in verzet is aangevoerd wijst de Raad nog op het volgende.
In hoger beroep dient de belanghebbende in beginsel expliciet aan te geven dat en waarom hij het niet eens is met de aangevallen uitspraak. De enkele zinsnede in een beroepschrift dat hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd acht de Raad in dat verband ontoereikend. Dit geldt temeer nu appellant in eerste aanleg bij de rechtbank ook reeds heeft volstaan met verwijzing naar hetgeen in bezwaar is aangevoerd en hij ook daar, evenals bij de Raad, niet ter zitting is verschenen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op
21 november 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
BKH 081106