ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K. Zeilemaker
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Geen vaste aanstelling na opvolgende tijdelijke dienstverbanden vanwege onvoldoende opvolging
Betrokkene was vanaf mei 2001 tot juni 2003 werkzaam bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit via verschillende tijdelijke en uitzendcontracten. Na beëindiging van de laatste tijdelijke aanstelling stelde betrokkene dat door opeenvolging van meer dan drie tijdelijke aanstellingen een vaste aanstelling was ontstaan op grond van artikel 6, zesde en zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).
De rechtbank Groningen oordeelde dat de vierde tijdelijke aanstelling per 15 februari 2003 als een vaste aanstelling moest worden beschouwd, mede omdat de uitzendcontracten als aparte periodes werden gezien. In hoger beroep stelde de Raad vast dat de werkzaamheden in Groningen en Assen wezenlijk verschilden en dat de uitzendcontracten in Assen niet als aparte periodes konden worden beschouwd omdat er geen wijziging in de inlening door de DBR was.
De Raad concludeerde dat niet was voldaan aan de vereiste dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden opvolgden. Hierdoor was de aanstelling per 15 februari 2003 niet omgezet in een vaste aanstelling. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de vaste aanstelling wordt niet toegekend.