ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum AOW-uitkering zonder bijzonder geval
Appellante bereikte in mei 2000 de pensioengerechtigde leeftijd en vroeg pas in augustus 2002 een AOW-uitkering aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende de AOW toe met ingang van augustus 2001, met terugwerkende kracht van één jaar, conform artikel 16 lid 2 AOW Pro. Appellante stelde dat sprake was van een bijzonder geval vanwege vermeende toezeggingen en haar lichamelijke en geestelijke toestand, waardoor zij niet tijdig kon aanvragen.
De Raad overwoog dat geen bewijs was voor toezeggingen die een ruimere terugwerkende kracht rechtvaardigen en dat de late aanvraag niet het gevolg was van onjuiste voorlichting door de Svb. Hoewel appellante zich in een moeilijke gezondheidstoestand bevond, was niet gebleken dat zij niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen, eventueel met hulp van derden.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 november 2006.
Uitkomst: De ingangsdatum van de AOW-uitkering is terecht vastgesteld op augustus 2001 zonder toepassing van een bijzonder geval.