ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3073
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-uitkering en vernietiging besluit arbeidsongeschiktheid na gedeeltelijke werkhervatting
Appellante, werkzaam als allround medewerkster bij haar ouders, staakte haar werk wegens nek-, schouder- en armklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvraag af omdat zij met haar beperkingen nog gangbare arbeid kon verrichten en haar maatvrouwloon kon verdienen. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en leidde tot uitspraak A, die door de Raad werd bevestigd.
Na gedeeltelijke werkhervatting meldde appellante zich opnieuw ziek. Het UWV weigerde opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen omdat het loonverlies minder dan 15% bedroeg. Dit leidde tot uitspraak B, die door de rechtbank werd bevestigd maar door de Raad in hoger beroep werd vernietigd. De Raad oordeelde dat het UWV de belastbaarheid van appellante niet had overschat en dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts zorgvuldig was, ondanks een brief van een revalidatiearts die na toetsingsdata was opgesteld.
De Raad verklaarde het inleidend beroep gegrond en vernietigde het besluit van 29 april 2004, maar liet de rechtsgevolgen van dat besluit in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Uitspraak A bevestigd, uitspraak B vernietigd, besluit van 29 april 2004 vernietigd met in stand blijvende rechtsgevolgen, UWV veroordeeld tot proceskostenvergoeding.