ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3349

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2603 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 ANWArt. 4 ANWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op ANW-uitkering voor ex-echtgenote zonder alimentatieverplichting

Appellante diende een aanvraag in op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) naar aanleiding van het overlijden van haar ex-echtgenoot in maart 1997. De Sociale verzekeringsbank wees de aanvraag af omdat appellante geen gezamenlijke huishouding voerde met de overledene en er geen alimentatieverplichting bestond.

De rechtbank Arnhem oordeelde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 1 en Pro artikel 4 van Pro de ANW en derhalve geen recht had op een uitkering. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad overwoog dat gelijkstelling als nabestaande op grond van artikel 4 ANW Pro alleen mogelijk is bij economische afhankelijkheid, welke tot uitdrukking komt in een alimentatieverplichting vastgelegd in een uitspraak of akte. Omdat appellante erkende dat er geen alimentatieverplichting bestond, kon zij niet als nabestaande worden aangemerkt en had zij geen recht op een uitkering.

De Raad wees ook een vergoeding van proceskosten af op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een ANW-uitkering omdat zij geen nabestaande is volgens de wet.

Uitspraak

05/2603 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 april 2005, 04/2946 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 24 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2006. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.M.W. van der Ent.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante heeft op 27 oktober 2004 een aanvraag in het kader van de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan de Svb gezonden terzake van het overlijden van B. [S.] (hierna: [S.]) in maart 1997, van wie appellante in 1978 was gescheiden.
De Svb heeft bij besluit van 11 november 2004 deze aanvraag afgewezen, omdat appellante geen nabestaande was van [S.], nu zij met hem geen gezamenlijke huishouding voerde en hij evenmin verplicht was appellante alimentatie te betalen. Bij besluit op bezwaar van 23 november 2004 heeft de Svb het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat, nu appellante niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, aanhef en onder e van de ANW, noch aan die van artikel 4 van Pro de ANW, zoals deze wet luidde ten tijde in geding en voorzover van belang, appellante niet aangemerkt kan worden als nabestaande in de zin van deze wet. De Svb is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat appellante geen recht heeft op een uitkering ingevolge de ANW.
De Raad kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt daartoe dat een persoon in de positie van appellante slechts bij wege van gelijkstelling ingevolge artikel 4 van Pro de ANW als nabestaande kan worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis is voor die gelijkstelling slechts dan voldoende grondslag aanwezig geacht, indien er ten tijde van het overlijden sprake was van economische afhankelijkheid, tot uitdrukking komend in een financiële band tussen de overledene en de ex-echtgenote, welke op zijn beurt was vastgelegd in een uitspraak of akte als in de wet omschreven. Uit de gedingstukken is van een alimentatieverplichting van [S.] jegens appellante direct voor het overlijden van [S.] niet gebleken, hetgeen overigens door appellante wordt erkend. Hieruit volgt dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om als nabestaande in de zin van de ANW te worden aangemerkt en zij derhalve niet voor een uitkering in het kader van deze wet in aanmerking komt.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.F. van Moorst.