ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3354

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1872 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling over bijstandsaanvraag

Appellant had zich op 26 november 2003 gemeld bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten, maar volgens het College was er geen formele aanvraag om bijstand ingediend omdat de benodigde formulieren niet waren ingeleverd. Appellant maakte bezwaar tegen de brief van 30 november 2004 waarin het College dit standpunt toelichtte. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Awb bevatte.

Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat zijn brief van 29 november 2004 een zelfstandige aanvraag om bijstand inhield. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief van 30 november 2004 geen besluit is, maar een informatieve mededeling zonder rechtsgevolg. De Raad onderschreef daarmee het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake was van een aanvraag uit november 2003 waarop nog een beslissing moest volgen.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief van het College geen besluit is en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

06/1872 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 februari 2006, 05/965 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 28 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 7 november 2006 waar partijen, met voorafgaande kennisgeving, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij brief van 29 september 2004 is namens appellant verzocht om afhandeling van een aanvraag om bijstand, waarvoor appellant zich op 26 november 2003 tot de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten had gewend.
In reactie hierop heeft het College bij brief van 30 november 2004 meegedeeld, voor zover hier van belang, dat appellant zich weliswaar op 26 november 2003 had gemeld bij een wijkkantoor van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten maar dat er geen aanvraag om bijstand is ingediend aangezien appellant de op 7 januari 2004 door het Centrum voor Werk en Inkomen aan hem overhandigde aanvraagformulieren niet heeft ingeleverd.
Tegen de brief van 30 november 2004 heeft appellant bezwaar gemaakt op de grond dat het College zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen aanvraag om bijstand tot stand is gekomen.
Bij besluit van 13 april 2005 heeft het College het bezwaar tegen de brief van
30 november 2004 niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat er geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
13 april 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
“(…) Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte handeling. De rechtbank leest in de brief van
30 november 2004 geen op rechtsgevolg gerichte handeling. De brief is van informatieve aard en behelst de feitelijke mededeling dat geen sprake is van een aanvraag die nog behandeling behoeft. Een brief met deze inhoud is geen besluit in de zin van de Awb zodat het bezwaar, hoewel op onjuiste gronden, terecht niet-ontvankelijk is verklaard. (…)”
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat hij met zijn brief van 29 november 2004 heeft beoogd een zelfstandige bijstandsaanvraag te doen. Bij deze brief, zo stelt appellant, was een ingevuld vragenformulier gevoegd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met betrekking tot de in dit geding centraal staande vraag betreffende de strekking van de brief van 30 november 2004, verenigt de Raad zich met het standpunt van het College, uiteengezet in - onder meer - het verweerschrift van 6 april 2006. Appellant heeft zich tot aan het door hem ingestelde hoger beroep steeds op het standpunt gesteld dat het College nog moest beslissen op een - vermeende - bijstandsaanvraag van 26 november 2003. Met de brief van 30 november 2004 heeft het College appellant terecht meegedeeld dat er geen sprake is van een aanvraag van november 2003. Van het uitblijven van een beslissing hierop is derhalve geen sprake. De brief van 30 november 2004 kan dan ook niet worden aangemerkt als een weigering om op een aanvraag om bijstand te beslissen. Dat appellant met de brief van 29 november 2004 alsnog een aanvraag om bijstand beoogde in te dienen staat aan dit standpunt dan ook niet in de weg.
De vervolgens aan de orde zijnde vraag of de mededeling in de brief van
30 november 2004, in de zin zoals hiervoor is weergegeven, als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb moet worden aangemerkt, beantwoordt de Raad ontkennend. De Raad onderschrijft in dit kader het hiervoor aangehaalde oordeel van de rechtbank en schaart zich achter de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2006.
(get.) Th. C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
BKH 141106