ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens ontbreken objectieve arbeidsongeschiktheid
Appellante viel in mei 2002 wegens vermoeidheidsklachten uit haar deeltijdse functie als docente. Het UWV wees haar aanvraag voor een WAO-uitkering af omdat geen ziekte of gebrek in de zin van de WAO kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat er geen objectieve beperkingen waren op basis van medische rapportages, waaronder een psychiatrisch rapport en een brief van het CFS Research Center.
Appellante verzocht om een second opinion en overhandigde een verklaring van een homeopathisch arts die haar klachten toeschreef aan bovengemiddelde gevoeligheid en heldervoelendheid. De Raad overwoog dat het arbeidsongeschiktheidsbegrip objectief moet worden vastgesteld en dat subjectieve klachtenbeleving onvoldoende is. De verklaring van de homeopathisch arts werd niet als regulier medisch gegeven erkend, en een bezwaarverzekeringsarts bevestigde dat er geen beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek waren.
De Raad vond geen aanleiding voor nader onderzoek en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van objectivering bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt afgewezen en het UWV-besluit tot weigering van WAO-uitkering wordt bevestigd.