ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3401
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon bij kortdurende dienstbetrekking volgens Dagloonregels IWS
Appellante ontving een loongerelateerde WW-uitkering waarbij het UWV het dagloon aanvankelijk vaststelde op €64,28. Na bezwaar stelde het UWV het dagloon bij naar €74,83, maar de rechtbank vernietigde dit besluit omdat het UWV geen rekening had gehouden met een algemene loonstijging van 4%.
Appellante werkte in de referteperiode bij twee werkgevers: eerst bij werkgever 1 en vanaf 1 juni 2001 bij werkgever 2. Het UWV paste een beleidsregel toe dat de vast-loon-bepaling niet geldt bij een laatste dienstbetrekking korter dan twee maanden, wat in dit geval van toepassing was. De rechtbank vond echter dat deze vuistregel niet juist was toegepast.
De Raad stelde vast dat appellante bij werkgever 2 een vast maandloon ontving en dat de vast-loon-bepaling niet tot een kennelijk onjuist dagloon leidt. De functie en CAO waren gelijk gebleven en het iets hogere loon bij werkgever 2 was niet uitzonderlijk. De reden van ontslag (ziekte in proeftijd) gaf geen aanwijzing voor een onjuist loon.
De Raad verwierp de beleidsregel van het UWV als niet op de Dagloonregels IWS gebaseerd en oordeelde dat de vast-loon-bepaling toegepast moet worden. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd, en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De vast-loon-bepaling wordt toegepast en het UWV moet een nieuw besluit nemen met een hoger dagloon.