ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht chauffeurs in privaatrechtelijke dienstbetrekking bij veetransportbedrijf
Appellanten exploiteren een veetransportbedrijf en werden geconfronteerd met correctie- en boetenota’s van het UWV na een looncontrole over de jaren 1999 tot en met 2002. Het UWV stelde dat diverse chauffeurs in privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam waren, wat verzekerings- en premieplicht tot gevolg had. De rechtbank ’s-Hertogenbosch oordeelde dat aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking was voldaan en bevestigde de verzekeringsplicht, premies en boetes.
In hoger beroep hebben appellanten zich gericht tegen deze conclusie, waarbij enkele chauffeurs werden genoemd die mogelijk een eigen vervoersvergunning hadden of als varkenslader werkten. De Raad concludeerde dat deze personen niet als chauffeurs werkzaam waren en liet deze grieven buiten beschouwing. Verder werden niet onderbouwde bezwaren verworpen.
De Raad overwoog dat de chauffeurs geen eigen vrachtauto of vervoersvergunning hadden en dat de aard van hun werkzaamheden, de plicht tot persoonlijke dienstverrichting, de gezagsverhouding en de afhankelijkheid van de vervoersvergunning van appellanten wezen op een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Beroepen op het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel werden verworpen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verzekeringsplicht en premies voor chauffeurs van het veetransportbedrijf.