Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3569

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04/3710 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
  • J.W. Schuttel
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens voldoende belastbaarheid ondanks psychische klachten

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WAZ-uitkering door het UWV, omdat hij meent dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten. De rechtbank Breda oordeelde dat appellant per 28 juni 2000 in staat was om met de hem voorgehouden functies een inkomen te verdienen waarbij het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 25% bedraagt, en wees het beroep af.

In hoger beroep heeft appellant de eerdere grieven herhaald en het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige zenuwarts Boeykens bestreden. Hij verwees daarbij naar aanvullende informatie van zijn huisarts en behandelend psychotherapeut.

De Raad heeft het geneeskundig onderzoek en de bevindingen van de verzekeringsartsen als zorgvuldig en weloverwogen beoordeeld. Ook de conclusies van de onafhankelijke deskundige zenuwarts Boeykens werden gevolgd, die op basis van medisch onderzoek en informatie van betrokken zorgverleners concludeerde dat appellant in staat is de voorgelegde arbeid te verrichten.

De Raad stelde vast dat de arbeidsdeskundige de functies opnieuw heeft beoordeeld met inachtneming van het aangepaste belastbaarheidspatroon en dat de overschrijdingen van de belastbaarheid voldoende zijn gemotiveerd. Gezien deze gronden is de weigering van de WAZ-uitkering terecht en wordt de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering aan appellant.

Uitspraak

04/3710 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 mei 2004, 02/2418
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.J.L. Mulderink, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door opvolgend gemachtigde,
mr. drs. M.L. Marcus-Daniëls. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door
J.Z. Groenenberg.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het Uwv terecht appellant met ingang van 28 juni 2000 niet in aanmerking heeft gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het bestreden besluit van
14 november 2002 ten grondslag liggende standpunt dat appellant, uitgaande van de door verzekeringsartsen ten aanzien van hem vastgestelde beperkingen, per 28 juni 2000 in staat was met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 25% bedraagt.
In hoger beroep zijn de eerdere grieven uit bezwaar en beroep herhaald en is het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige zenuwarts dr. D.H.J. Boeykens bestreden. Namens appellant is - kort samengevat - aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de psychische klachten. Ter ondersteuning hiervan is verwezen naar de in beroep overgelegde informatie van de huisarts en behandelend psychotherapeut
M.M. Ruisch.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad is het geneeskundig onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest, is de informatie van de huisarts en behandelend psycholoog drs. I.P.M. Dons meegewogen en is in het belastbaarheidspatroon in voldoende mate rekening gehouden met de psychische klachten van appellant. De Raad stelt in dit kader vast dat bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg het belastbaarheidspatroon heeft aangescherpt. Voorts heeft de Raad evenals de rechtbank geen aanleiding gevonden om de onderzoeksbevindingen en de conclusies van de onafhankelijke deskundige zenuwarts Boeykens niet te volgen, nu door Boeykens, na onderzoek van appellant en op basis van de informatie van de huisarts, psycholoog Dons en psychotherapeut Ruisch, afdoende is gemotiveerd dat appellant gezien het belastbaarheidspatroon in staat is te achten om de in aanmerking genomen arbeid te verrichten. Er zijn door appellant geen gegevens in geding gebracht, die aanleiding geven voor de veronderstelling dat sprake is van een ondeugdelijke medische oordeelsvorming.
Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid bestaat evenmin grond om ervan uit te gaan dat de appellant voorgehouden functies voor hem niet geschikt zijn. De Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat door de arbeidsdeskundige J.A.M. Snijders de functies op basis van het aangepaste belastbaarheidspatroon opnieuw zijn bezien met inachtneming van de juiste actualiseringsdatum. Naar het oordeel van de Raad zijn door de arbeidsdeskundige de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid genoegzaam gemotiveerd. Vastgesteld kan worden dat de schatting hiermee op goede gronden berust en dat terecht WAZ-uitkering aan appellant is geweigerd.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en
J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.