ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3618
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- G.L.M.J. Stevens
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning burgeroorlogsslachtoffer wegens ontbreken excessief geweld
Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2005 een aanvraag ingediend om als burgeroorlogsslachtoffer erkend te worden op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Zij baseert haar aanvraag op het feit dat zij getuige was van de gewelddadige arrestatie van haar moeder door de Japanse bezetter.
Verweerster, de Pensioen- en Uitkeringsraad, heeft de aanvraag afgewezen omdat de gebeurtenissen niet onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht. De Raad heeft vastgesteld dat de moeder van appellante inderdaad is gearresteerd en gevangen heeft gezeten, en dat appellante en haar broers en zusters bij de arrestatie aanwezig waren waarbij enig geweld is gebruikt.
Echter, het geweld bij de arrestatie wordt niet aangemerkt als een calamiteit in de zin van artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet, omdat het niet voldeed aan de vereiste mate van excessief en uitermate schokkend fysiek geweld. De Raad benadrukt dat objectief zeer ernstig geweld vereist is, niet slechts een subjectieve indruk van schok. De eerdere melding van de arrestatie door de moeder in een andere aanvraag zonder verwijzing naar geweld ondersteunt deze conclusie.
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de aanvraag tot erkenning als burgeroorlogsslachtoffer.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat het geweld bij de arrestatie van haar moeder niet voldoet aan de criteria van excessief geweld zoals vereist door de Wet.