ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3618

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-825 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.L.M.J. Stevens
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 19 Wet ter verbetering van levensomstandigheden
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag erkenning burgeroorlogsslachtoffer wegens ontbreken excessief geweld

Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2005 een aanvraag ingediend om als burgeroorlogsslachtoffer erkend te worden op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Zij baseert haar aanvraag op het feit dat zij getuige was van de gewelddadige arrestatie van haar moeder door de Japanse bezetter.

Verweerster, de Pensioen- en Uitkeringsraad, heeft de aanvraag afgewezen omdat de gebeurtenissen niet onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht. De Raad heeft vastgesteld dat de moeder van appellante inderdaad is gearresteerd en gevangen heeft gezeten, en dat appellante en haar broers en zusters bij de arrestatie aanwezig waren waarbij enig geweld is gebruikt.

Echter, het geweld bij de arrestatie wordt niet aangemerkt als een calamiteit in de zin van artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet, omdat het niet voldeed aan de vereiste mate van excessief en uitermate schokkend fysiek geweld. De Raad benadrukt dat objectief zeer ernstig geweld vereist is, niet slechts een subjectieve indruk van schok. De eerdere melding van de arrestatie door de moeder in een andere aanvraag zonder verwijzing naar geweld ondersteunt deze conclusie.

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de aanvraag tot erkenning als burgeroorlogsslachtoffer.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat het geweld bij de arrestatie van haar moeder niet voldoet aan de criteria van excessief geweld zoals vereist door de Wet.

Uitspraak

06/825 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 23 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 3 januari 2006, kenmerk JZ/R60/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2006. Aldaar is appellante verschenen bij gemachtigde mr. A.C.M. Peperkamp, werkzaam bij DAS rechtsbijstand. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, geboren [in] 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet ter verbetering van levensomstandigheden, een periodieke uitkering alsmede voorzieningen.
Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 28 oktober 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat de door appellante aan haar aanvraag ten grondslag gelegde gebeurtenissen niet onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht.
Appellante kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Namens haar is naar voren gebracht dat zij getuige is geweest van de gewelddadige arrestatie van haar moeder door de Japanse bezetter, zodat het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet op haar van toepassing is.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens de gedingstukken heeft verweerster als vaststaand aangenomen dat de moeder van appellante door de Japanse bezetter is gearresteerd en gevangen heeft gezeten in de Bantjeu gevangenis te Bandoeng. Voorts heeft verweerster aanvaard dat appellante en haar broers en zusters aanwezig zijn geweest bij de arrestatie van hun moeder en dat daarbij enig geweld is gebruikt. Nochtans heeft verweerster deze gebeurtenis niet aangemerkt als een calamiteit in de zin van
artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet, omdat niet is gebleken van een zodanig excessief geweld bij deze arrestatie dat deze gebeurtenis op één lijn moet worden gesteld met de eveneens in dit artikellid genoemde gebeurtenissen van doodslag en executie. De Raad kan verweerster in deze opvatting volgen. Noch uit de door appellante ten behoeve van haar aanvraag verschafte inlichtingen, noch uit de door de broers en zusters van appellante ten behoeve van haar aanvraag gegeven getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat deze gebeurtenis gepaard is gegaan met zulk extreem en excessief geweld dat deze als calamiteit in de zin van de Wet dient te worden aanvaard. Daartoe is vereist, naar de Raad eerder heeft uitgesproken, dat sprake is van objectief zeer ernstig en uitermate schokkend fysiek geweld en dat niet zozeer bepalend is of sprake is geweest van een subjectief voor de aanwezigen zeer schokkende gebeurtenis. De Raad acht in dit verband bepaald niet zonder gewicht dat de moeder van appellante zelf in het kader van een door haar ingediende aanvraag op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 wel melding heeft gemaakt van deze arrestatie, maar niet van daarmee gepaard gaand gewelddadig optreden door de Japanners.
Dit betekent dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.