ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3638
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- G.L.M.J. Stevens
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling grondslag periodieke WUBO-uitkering bij inkomensniveau ten tijde van invaliditeit
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van de Raadskamer WUBO over de grondslag van zijn periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Verweerster handhaafde de grondslag op € 2.293,78 gebaseerd op het CAO-loon voor straatmaker I per 1 mei 2002.
Appellant betoogde dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn werkelijke loonverlies door de calamiteit en dat het inkomen bij aanvraag als uitgangspunt moet gelden. De Raad overwoog dat de wet strikt voorschrijft dat de grondslag wordt vastgesteld naar het inkomen ten tijde van de invaliditeit, niet het inkomen bij aanvraag, en dat geen compensatie kan worden geboden voor het late beroep op de wet.
De Raad verwierp het beroep als ongegrond en oordeelde dat de berekening van verweerster geen onredelijke toepassing van de wet is. Ook werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. Hiermee blijft het besluit van 13 december 2005 in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van de grondslag van de WUBO-uitkering blijft in stand.