ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3859

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2500 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Werkloosheidswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering toekenning ziekengeld na intrekking WAO-uitkering

Appellante had een WAO-uitkering die per 23 juni 2004 werd ingetrokken omdat zij volgens het UWV met behulp van het claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS) in staat werd geacht om functies te verrichten waarmee zij voldoende inkomen kon verdienen. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddelen ingezet.

Vervolgens meldde appellante zich ziek vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV besloot haar geen ziekengeld toe te kennen vanaf 6 juli 2004, omdat er geen sprake was van een toename van beperkingen ten opzichte van de WAO-beoordeling. Dit besluit werd ondersteund door medische rapporten van verzekeringsartsen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische gegevens aangeleverd die haar gezondheidstoestand anders zouden doen beoordelen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt de aangevallen uitspraak, waarbij geen aanleiding werd gezien voor het benoemen van een deskundige of toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

05/2500 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 maart 2005, 04/2020 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 6 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. de Jong, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2006. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.A. Soer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van het Uwv van 22 april 2004 is de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO) per 23 juni 2004 ingetrokken, omdat zij in staat wordt geacht om met de - met behulp van het claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS) - geduide functies (productiemedewerkster industrie, productiemedewerkster textiel en lederbewerker) een zodanig inkomen te verdienen dat zij niet langer arbeidsongeschikt kan worden geacht in de zin van de WAO. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.
Appellante heeft zich op 28 juni 2004 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.
Bij besluit van 5 juli 2004 is aan appellante kenbaar gemaakt dat aan haar met ingang van 6 juli 2004 geen ziekengeld (meer) wordt toegekend. Volgens verzekeringsarts R.C. van Rijswijk zijn de klachten van appellante in grote lijnen vergelijkbaar met de klachten die appellante bij de WAO-beoordeling op 30 maart 2004 heeft geuit en is er geen sprake is van een toename van beperkingen. Appellante wordt in staat geacht om ten minste één van de geduide functies te verrichten.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op het rapport van 7 september 2004 van bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, daarbij met name betekenis toekennend aan het door bezwaarverzekeringsarts Ubbink uitgebrachte rapport.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens aangedragen die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand ten tijde in geding. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.