ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na beëindiging arbeidsongeschiktheidsuitkering
Appellante was sinds 1997 arbeidsongeschikt verklaard wegens onder meer armklachten en later ook knie-, heup- en rugklachten. Zij ontving een WAO-uitkering tot september 2000, welke werd ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies met een passend inkomen.
In augustus 2002 meldde appellante zich ziek vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV besloot in december 2002 om geen ziekengeld toe te kennen, omdat appellante niet langer ongeschikt werd geacht voor arbeid in passende functies. Dit besluit werd in mei 2003 bevestigd na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, mede op basis van een medisch rapport van een bezwaarverzekeringsarts. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische gegevens aangeleverd die haar gezondheidstoestand anders doen beoordelen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld blijft van kracht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld aan appellante.