ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3892

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4177 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld na beëindiging arbeidsongeschiktheidsuitkering

Appellante was sinds 1997 arbeidsongeschikt verklaard wegens onder meer armklachten en later ook knie-, heup- en rugklachten. Zij ontving een WAO-uitkering tot september 2000, welke werd ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies met een passend inkomen.

In augustus 2002 meldde appellante zich ziek vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV besloot in december 2002 om geen ziekengeld toe te kennen, omdat appellante niet langer ongeschikt werd geacht voor arbeid in passende functies. Dit besluit werd in mei 2003 bevestigd na bezwaar.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, mede op basis van een medisch rapport van een bezwaarverzekeringsarts. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische gegevens aangeleverd die haar gezondheidstoestand anders doen beoordelen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld blijft van kracht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld aan appellante.

Uitspraak

04/4177 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2004, 03/1778 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2006.
Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is in 1997 wegens onder meer armklachten ongeschikt geworden tot het verrichten van haar arbeid als schoonmaakster. Nadien was ook sprake van knie-, heup- en rugklachten. Zij heeft tot 8 september 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsonge-schiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is destijds ingetrokken omdat appellante geschikt werd geacht voor verschillende functies, waarin zij een zodanig inkomen kon verdienen dat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de WAO.
Appellante heeft zich op 5 augustus 2002 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld
Bij besluit van 6 december 2002 is aan appellante met ingang van 26 november 2002 geen ziekengeld meer toegekend, omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor haar arbeid, zijnde het werk in één van de hiervoor bedoelde functies.
Het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 mei 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, daarbij met name betekenis toekennend aan het door bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg op 10 april 2003 uitgebrachte rapport.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens aangedragen die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand ten tijde in geding.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.