ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanspraak ziekengeld wegens niet-rechtmatig verblijf en verzekeringsplicht ZW
Appellant werkte vanaf 1 oktober 2002 als uitzendkracht en werd op 27 december 2002 wegens ziekte arbeidsongeschikt. Het UWV wees zijn aanvraag voor ziekengeld af omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef en niet als werknemer werd beschouwd. Het bezwaar tegen dit besluit werd eveneens ongegrond verklaard.
Appellant diende later een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar de rechtbank oordeelde dat hij pas vanaf 6 oktober 2003 tot de categorie vreemdelingen behoorde die aanspraak kunnen maken. De Raad onderschreef dit oordeel en wees erop dat het betalen van Ziektewetpremies niet automatisch recht geeft op uitkering.
De verzekeringsplicht ontstaat van rechtswege en is niet afhankelijk van premiebetaling. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat algemene beginselen van behoorlijk bestuur het bestaan van de verzekeringsplicht niet beïnvloeden. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees een beroep op artikel 8:75 Awb Pro af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen aanspraak heeft op ziekengeld wegens niet-rechtmatig verblijf en verzekeringsplicht die van rechtswege ontstaat.