ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3918
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum WAJONG-uitkering zonder bijzondere omstandigheden
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde ingangsdatum van zijn WAJONG-uitkering, die is vastgesteld op 21 juli 2002, terwijl hij meent dat deze datum moet zijn 16 augustus 2000, de dag dat hij 18 jaar werd. Hij stelt dat zijn eerdere aanvraag op grond van de Ziektewet als een aanvraag voor WAJONG had moeten worden aangemerkt en dat hij niet op de hoogte was van de regelgeving.
De rechtbank Haarlem heeft het bezwaar ongegrond verklaard en geoordeeld dat appellant op 5 april 2001 door een verzekeringsarts is geadviseerd om een WAJONG-uitkering aan te vragen en dat er geen medische of psychiatrische redenen waren die hem verhinderden om tijdig een aanvraag in te dienen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.
De Raad benadrukt dat volgens artikel 29 van Pro de WAJONG de uitkering ingaat op de dag waarop aan de voorwaarden wordt voldaan, met een maximale terugwerkende kracht van één jaar voor de aanvraag, tenzij bijzondere gevallen zich voordoen. Omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, wordt het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad ziet ook geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat in bijzondere gevallen afwijking van termijnen mogelijk maakt. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 december 2006 door rechter Ch. van Voorst.
Uitkomst: De ingangsdatum van de WAJONG-uitkering wordt bevestigd op 21 juli 2002, zonder toepassing van bijzondere omstandigheden.