ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf juni 1997
Appellant ontvangt sinds 1 mei 1996 een AOW-pensioen en werd vanaf 1 juli 1996 als ongehuwde gekwalificeerd. Naar aanleiding van informatie over samenwoning met betrokkene stelde de Sociale verzekeringsbank een onderzoek in. Op basis van verklaringen en onderzoek concludeerde de Svb dat appellant en betrokkene vanaf juni 1997 een gezamenlijke huishouding voerden, wat leidde tot herziening van de AOW-uitkering vanaf 1 juli 1997.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de Svb terecht handelde. Appellant stelde in hoger beroep dat de verklaringen onder druk waren afgelegd en dat de situatie niet als samenwoning moest worden gezien. De Raad overwoog dat het begrip gezamenlijke huishouding objectief wordt beoordeeld aan de hand van feitelijke omstandigheden, zoals het gezamenlijk voorzien in huisvesting en wederzijdse zorg.
Uit de verklaringen blijkt dat appellant vrijwel elke nacht bij betrokkene verbleef, een sleutel had en gebruik maakte van de woning. Tevens was er sprake van wederzijdse zorg, gezamenlijke maaltijden, gezamenlijke sociale contacten en gezamenlijke huishoudelijke taken. Het feit dat zij aparte financiën hielden en de situatie niet als samenwoning zagen, doet hieraan niet af.
De Raad vond geen aanwijzingen dat de verklaringen onder druk waren afgelegd en verwierp het verweer van appellant. De Centrale Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De herziening van de AOW-uitkering is daarmee rechtsgeldig.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de AOW-uitkering bevestigd.