ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4185

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6777 AAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder nieuwe feiten

Appellante had een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend gekregen met ingang van een jaar voor de datum van haar aanvraag. Na een eerdere afwijzing van een verzoek om terugwerkende kracht, diende zij een nieuwe aanvraag in met dezelfde strekking, stellende dat de ernst van haar klachten pas later volledig duidelijk werd en dat haar administratie door haar ex-echtgenoot werd beheerd.

Het UWV wees deze nieuwe aanvraag af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. De rechtbank Maastricht had deze afwijzing bevestigd.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en oordeelt dat het UWV in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt om de aanvraag af te wijzen zonder toepassing van artikel 4:5 Awb Pro. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro, dat een herziening onder bijzondere omstandigheden mogelijk maakt.

De uitspraak bevestigt daarmee de rechtsgeldigheid van het eerdere besluit en het afwijzen van de nieuwe aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de nieuwe aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

04/6777 AAW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 november 2004, 04/215 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2006. Beide partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
Bij besluit van 19 juni 1997 heeft het Uwv aan appellante een arbeidsongeschiktheids-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De toekenning ging in met ingang van een jaar voor de datum van de aanvraag.
Bij besluit van 21 juli 1997 heeft het Uwv het verzoek van appellante om de haar toegekende uitkering met verder terugwerkende kracht dan één jaar te laten ingaan afgewezen. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Appellante heeft een op
4 september 2003 gedateerde, nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Namens appellante is daarbij aangevoerd dat de ernst van de door appellante geuite klachten pas in een zeer laat stadium in volle omvang duidelijk zijn geworden. Voorts deed de voormalige echtgenoot van appellante haar volledige administratie. Het zou onredelijk zijn het feit dat er geen bezwaar aangetekend was tegen het besluit van
21 juli 1997 aan appellante toe te rekenen.
Bij besluit van 6 oktober 2003 heeft het Uwv geweigerd terug te komen op het besluit van 21 juli 1997, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.
De Raad kan zich volledig scharen achter de overwegingen van de rechtbank aangaande dit geschil en maakt deze tot de zijne.
Het Uwv was bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, de aanvraag af te wijzen. In hetgeen namens appellante is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
JK/291106