ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant voerde samen met betrokkene sinds 1 januari 1998 een gezamenlijke huishouding, hetgeen verzwegen werd bij de aanvraag van bijstand. Betrokkene ontving bijstand als alleenstaande ouder, terwijl op grond van de gezamenlijke huishouding gezinsbijstand had moeten worden verleend. Het College van burgemeester en wethouders van Enschede herzag de bijstand en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug van betrokkene en appellant.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens ondeugdelijke motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat appellant en betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden, mede gebaseerd op verklaringen afgelegd aan de sociale recherche en het feit dat zij een kind samen hebben.
De Raad oordeelt dat het College terecht de terugvordering mede op appellant heeft toegepast conform artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Er zijn geen dringende redenen om van deze medeterugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand mede van appellant bevestigd.