ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4327

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2123 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 3 ANWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens leeftijdsgrens bij overlijden echtgenoot

Appellante, geboren in 1930, vroeg een nabestaandenuitkering aan na het overlijden van haar echtgenoot op 26 oktober 2003. De Sociale verzekeringsbank wees de aanvraag af omdat appellante op dat moment al 65 jaar was, wat volgens artikel 15, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet uitsluiting van recht op uitkering inhoudt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de dwingendrechtelijke bepaling geen ruimte laat voor afwijking. Appellante stelde in hoger beroep geen nieuwe feiten of argumenten aan de orde die tot een ander oordeel konden leiden.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er waren geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter H.J. Simon, in aanwezigheid van griffier M.F. van Moorst, op 8 december 2006.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de nabestaandenuitkering bevestigd.

Uitspraak

06/2123 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2006, 04/4144 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 8 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend en bij schrijven van 22 september 2006 een nader stuk aan de Raad doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2006. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, geboren in 1930, heeft een aanvraag om een nabestaandenuitkering ingediend gedateerd 9 maart 2004. Daarbij heeft zij aangegeven dat haar echtgenoot op 26 oktober 2003 is overleden.
Bij besluit van 28 juli 2004 heeft de Svb gehandhaafd het besluit van 18 mei 2004, waarbij de aanvraag om een nabestaandenuitkering is afgewezen. Als motivering is aangegeven dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering omdat zij op het tijdstip van overlijden van haar echtgenoot de leeftijd van 65 jaar reeds had bereikt.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Aangegeven wordt dat op grond van artikel 15, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, geen recht op uitkering ontstaat, indien de echtgenoot overlijdt in of na de maand waarin de nabestaande de leeftijd van 65 jaar bereikt. Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan aan deze dwingendrechtelijke bepaling niet afdoen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellantes stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 december 2006.
(get.). H.J. Simon.
(get.) M.F. van Moorst.
CVG
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par H.J. Simon en présence de M.F. van Moorst en qualité de greffier, ain-si que prononcée en public le 8 décembre 2006.