ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4364

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7055 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AKWBesluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746)Algemene nabestaandenwetArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kinderbijslag wegens niet-verzekerd zijn voor volksverzekeringen

Appellante had kinderbijslag aangevraagd, maar de Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde deze toe te kennen met ingang van het eerste kwartaal van 2004 omdat zij niet verzekerd was op grond van artikel 6 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en ook niet als verzekerde kon worden aangemerkt volgens het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746).

Na het overlijden van haar echtgenoot op 27 oktober 2003 ontving appellante een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw), welke niet gelijkstaat aan een verplichte of vrijwillige verzekering voor de volksverzekeringen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij niet verzekerd was voor de volksverzekeringen en daarom geen recht had op kinderbijslag.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De Raad oordeelt dat de aangevoerde argumenten in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten bevatten die tot een ander oordeel leiden. De uitspraak bevestigt dat de verzekeringspositie van de echtgenoot niet automatisch leidt tot een verzekeringspositie van appellante zelf.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag omdat appellante niet verzekerd is voor de volksverzekeringen.

Uitspraak

05/7055 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2005, 04/2403 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 8 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2006. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 14 mei 2004 heeft de Svb gehandhaafd het besluit van 18 maart 2004, waarbij de Svb heeft geweigerd aan appellante met ingang van het eerste kwartaal van 2004 kinderbijslag toe te kennen. Aan dit besluit lag ten grondslag dat appellante niet is verzekerd op grond van artikel 6 van Pro de AKW, terwijl appellante evenmin op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekerden 1999 (KB 746) als verzekerde kan worden aangemerkt. Appellante heeft, na het overlijden van haar echtgenoot op 27 oktober 2003, eerst met ingang van oktober 2003 recht op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, welke uitkering niet aansluit op de verplichte of vrijwillige verzekering op grond van de volksverzekeringen, aldus de Svb.
In beroep heeft appellante aangevoerd dat haar echtgenoot was verzekerd ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet en dat appellante een uitkering ontvangt welke hoger is dan 35% van het minimumloon in Nederland.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Zij heeft daartoe als volgt overwogen (waarbij appellante is aangemerkt als eiseres):
“De rechtbank stelt vast dat eiseres sedert 1 oktober 2003 recht heeft op een uitkering ingevolge de Anw. Niet gebleken is dat eiseres tot aan 1 januari 2000 verzekerd was voor de volksverzekeringen op grond van artikel 26 van Pro KB 746. Gelet op het bepaalde in artikel 27 van Pro KB 746 komt eiseres derhalve niet in aanmerking voor kinderbijslag. De omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres op grond van de door hem ontvangen AOW-uitkering wel verzekerd was voor de AKW, maakt dit oordeel niet anders, nu deze verzekeringspositie niet met zich meebrengt dat eiseres zelf als verzekerd kan worden aangemerkt.”
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellantes stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 december 2006.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.F. van Moorst.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.