ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken per 17 juni 2003, omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens het UWV minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellante dat haar beperkingen, met name door stemmingsstoornissen, onvoldoende waren meegewogen en dat het CBBS-systeem geen inzicht gaf in de relatie tussen beperkingen en functies.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de medische beoordeling van het UWV, waarbij verzekeringsartsen en psychiaters hadden vastgesteld dat er geen aanwijzingen waren voor een psychiatrische stoornis die haar arbeidsongeschiktheid significant zou verhogen. De Raad hechtte geen gewicht aan de niet-medisch onderbouwde stellingen van appellante.
Daarnaast achtte de Raad het CBBS-systeem als een rechtens aanvaardbare methode om de belastbaarheid te beoordelen en vond voldoende onderbouwing voor de geschiktheid van appellante voor bepaalde functies. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.