ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4435

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7143 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 onder k Wet overheidspersoneelArt. 75 lid 1 WAOWet educatie beroepsonderwijsRegeling ontheffing garantieplicht WAO overheidswerkgevers
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek eigen risicodragerschap onderwijsinstelling onder WAO

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar verzoek om eigen risicodrager te worden per 1 juli 2004 niet te honoreren. De kernvraag was of appellante, als onderwijsinstelling, bij of krachtens de Wet educatie beroepsonderwijs (Web) is ingesteld en daardoor als overheidswerkgever zonder schriftelijke garantie gebruik kan maken van de ontheffingsregeling voor eigen risicodragerschap.

De rechtbank Amsterdam had het verzoek reeds afgewezen, waarbij zij de zienswijze van het UWV volgde. Appellante voerde aan dat zij als B2-werkgever onder de voormalige ABP-wet voor ten minste 51% van rijkswege werd bekostigd en daarom onder de ontheffingsregeling zou moeten vallen.

De Centrale Raad van Beroep heeft overwogen dat appellante niet bij of krachtens de Web of een speciale instellingswet is ingesteld, en dat een notariële stichtingsakte niet voldoende is als grondslag. Ook de rijksbekostiging en de kwalificatie als B2-werkgever veranderen hier niets aan. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek van appellante om eigen risicodrager te worden wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

05/7143 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante]
(hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2005, nr. 05/1126 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv)
Datum uitspraak: 7 december 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006. Appellante is daar verschenen bij gemachtigde mw. P.I. [v.d. M.], financieel manager, bijgestaan door mr. H.A.A. Berendsen, consultant bij Loyalis, als raadsman. Namens het Uwv is verschenen mr. E. Kuipers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
In dit geding staat centraal de beantwoording van de vraag of appellante bij of krachtens de wet, met name de Wet educatie beroepsonderwijs (Web), is ingesteld en daardoor als (overheids-)werkgever op basis van artikel 1, onder k, van de Wet overheidspersoneel in verbinding met artikel 75, eerste lid, van de WAO zonder bezit van een schriftelijke garantie gebruik zou kunnen maken van de ontheffingsregeling bedoeld voor de categorie opgenomen in artikel 1, onderdeel c, van de Regeling ontheffing garantieplicht WAO overheidswerkgevers.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in overeenstemming met de zienswijze van het Uwv in het na bezwaar genomen besluit van 8 november 2004, strekkende tot het niet honoreren van het verzoek van appellante om met ingang van 1 juli 2004 eigen risicodrager te worden, deze vraag gemotiveerd ontkennend beantwoord.
In hoger beroep doet appellante betogen dat zij bij dan wel krachtens de Web is ingesteld en dat daarenboven moet wegen dat zij als zogenaamde B2-werkgever in de zin van de voormalige ABP-wet hier een onderwijswerkgever betrof die tenminste voor 51% van rijkswege werd bekostigd zonder voorstelbaar faillissementsrisico. Daardoor zou zij onder opgemelde ontheffingsregeling dienen te vallen.
De Raad overweegt het volgende.
Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat appellante bij dan wel krachtens de Web dan wel bij een speciale instellingswet met name en met bijbehorende uitwerking in desbetreffende bepalingen en nader adstruerende toelichting op desbetreffende hogere dan wel lagere regelgeving is ingesteld. Het bestaan van een notariële stichtingsakte voor appellante biedt als zodanig niet een zodanige vereiste grondslag als hiervoor bedoeld. In dit laatste wordt evenmin verandering gebracht door de omstandigheid dat appellante grotendeels van rijkswege bekostigd wordt en als een B2-werkgever te boek staat.
De in de eerste alinea van deze rubriek gestelde vraag wordt blijkens hetgeen hiervoor overwogen is door de Raad in ontkennende zin beantwoord.
Het hoger beroep treft dan ook geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) M. Pijper.