AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belanghebbende en niet betalen griffierecht
Appellant stelde namens een betrokkene hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle inzake een besluit van de IB-Groep. De Raad wees appellant erop dat griffierecht betaald moest worden binnen een gestelde termijn, maar dit werd niet voldaan omdat aangetekende brieven niet zijn afgehaald. Tevens werd appellant verzocht een schriftelijke machtiging te overleggen, wat eveneens niet gebeurde.
De Raad oordeelde dat appellant moet worden geacht voor zichzelf hoger beroep te hebben ingesteld, maar dat hij geen belanghebbende is zoals vereist volgens de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak werd gedaan door J. Janssen en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2006. Partijen kunnen binnen zes weken verzet aantekenen tegen deze beslissing.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belanghebbende en niet betalen van het griffierecht.
Uitspraak
06/1529 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 vanPro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
beweerdelijk namens [betrokkene]
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 30 januari 2006, 05/265 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
K. Königel
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 27 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft, beweerdelijk namens [betrokkene] hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De aangevallen uitspraak heeft betrekking op een besluit van 27 januari 2005 van de
IB-Groep.
II. OVERWEGINGEN
In artikel 22 vanPro de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij brief van 16 maart 2006 is appellant erop gewezen dat hij een griffierecht van € 103,-- is verschuldigd, en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn voldaan, bij voorkeur door middel van de aangehechte acceptgirokaart.
Bij aangetekende brief van 18 april 2006 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
Laatstgenoemd schrijven is op 19 april 2006 door de TPG Post aan appellant aangeboden en vervolgens op 15 mei 2006 door de Raad retour ontvangen met op de enveloppe de door de TPG Post aangebrachte mededeling “niet afgehaald”.
Uit informatie van de gemeente [woonplaats] blijkt dat appellant op het bij de Raad bekende adres staat ingeschreven.
Reeds vaker heeft de Raad overwogen dat de gevolgen van het niet afhalen van een aangetekend schrijven voor rekening van de geadresseerde dienen te blijven zolang niet vaststaat dat een onjuiste of onduidelijke adressering van dit schrijven voor vertraging in de verzending daarvan heeft gezorgd. Van dit laatste is de Raad niet gebleken.
De Raad stelt vast dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 18 april 2006 gestelde termijn is betaald.
Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
De Raad overweegt voorts ten overvloede het volgende.
Ingevolge artikel 21 vanPro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:24 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Raad van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
Bij brief van 16 maart 2006 is aan appellant verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging over te leggen.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 18 april 2006 is appellant nogmaals in de gelegenheid gesteld de verlangde machtiging in te zenden. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld.
Laatstgenoemd schrijven is eveneens op 19 april 2006 door de TPG Post aan appellant aangeboden en vervolgens op 15 mei 2006 door de Raad retour ontvangen met op de enveloppe de door de TPG Post aangebrachte mededeling “niet afgehaald”.
De Raad stelt vast dat de machtiging niet binnen de gestelde termijn is overlegd.
Gelet op het voorgaande komt de Raad tot het oordeel dat appellant moet worden geacht voor zichzelf hoger beroep te hebben ingesteld.
Ingevolge artikel 18 vanPro de Beroepswet kan, voor zover hier van belang, een belang-hebbende hoger beroep instellen. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Van enig belang van appellant bij het besluit van de IB-Groep van
27 januari 2005 is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Derhalve kan appellant niet als belanghebbende worden aangemerkt, zodat de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk acht.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen en (andere) belanghebbenden binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.