ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WAO-uitkering en mate van arbeidsongeschiktheid bij appellante
Appellante viel op 3 november 2000 uit wegens diverse gezondheidsklachten en ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45% per 2 november 2001. Zij stelde dat haar beperkingen, waaronder migraine en andere klachten, onderschat waren en voerde aan dat de hogere mate van arbeidsongeschiktheid die later werd vastgesteld, reeds op die datum bestond.
De rechtbank oordeelde dat het UWV de beperkingen van appellante niet onjuist had ingeschat, mede omdat het beschikte over uitgebreide medische informatie van diverse specialisten. De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan en stelt vast dat de medische gegevens en het belastbaarheidspatroon voldoende rekening houden met de klachten van appellante.
Hoewel appellante later een hogere mate van arbeidsongeschiktheid toegekend kreeg, leidt dit niet tot de conclusie dat de beperkingen per 2 november 2001 zijn onderschat. De Raad bevestigt dat de geselecteerde functies passend zijn en verklaart het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank rechtsgeldig en in stand.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt bevestigd en de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% per 2 november 2001 blijft gehandhaafd.