ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5063
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling grondslagvaststelling voor oorlogsslachtoffer jong bij oorlogsletsel
Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in juni 2004 een aanvraag in voor tegemoetkomingen op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling (AOR). De Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling kende hem een invaliditeitsuitkering toe met een grondslag van 75 gulden, gebaseerd op artikel 16 van Pro de AOR, omdat appellant ten tijde van het oorlogsletsel nog te jong was om te werken.
Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van de uitkeringsgrondslag, stellende dat rekening gehouden moest worden met het naoorlogse inkomensniveau. De Commissie verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de AOR als peilmoment voor de grondslag expliciet het inkomen in het jaar voorafgaand aan het oorlogsletsel hanteert. Voor oorlogsslachtoffers die nog niet arbeidsinkomen genoten, geldt een vaste grondslag, die door de Commissie redelijk was vastgesteld en geïndexeerd. De Raad vond geen grond voor vernietiging van het besluit en verklaarde het beroep ongegrond.
Proceskostenvergoeding werd niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 7 december 2006.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit over de uitkeringsgrondslag blijft in stand.