ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5136

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-801 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens onverschoonbare termijnoverschrijding in WAO-zaak

Appellant stelde beroep in tegen een besluit van het UWV, maar diende het beroepschrift te laat in. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens onverschoonbare termijnoverschrijding. Appellant voerde in hoger beroep aan dat medische omstandigheden hem verhinderden het beroepschrift tijdig in te dienen.

De Raad overwoog dat appellant bewust het beroepschrift niet op de laatste dag van de termijn in Duitsland had gepost, maar een dag later in Nederland om de posttijd te verkorten. Dit toonde aan dat appellant zich bewust was van de termijn. Daarnaast bleek uit een ziekenhuisverklaring dat appellant slechts 12 dagen van de beroepstermijn opgenomen was, wat onvoldoende was om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.

De Raad concludeerde dat de medische situatie geen beletsel vormde voor het tijdig indienen of regelen van het beroepschrift. Ook het feit dat appellant op huwelijkse voorwaarden was gehuwd en inzage in post beperkt was, vormde geen beletsel. Het hoger beroep faalde en de niet-ontvankelijkverklaring werd bevestigd.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens onverschoonbare termijnoverschrijding wordt bevestigd.

Uitspraak

06/801 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 januari 2006, 05/3711
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Appellant is in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Het Uwv is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant bij brief van
23 februari 2005 ingediende beroep tegen het besluit op bezwaar van het Uwv van
12 januari 2005 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbaar geachte termijnoverschrijding.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat medische omstandigheden in de weg hebben gestaan aan tijdige indiening van het beroepschrift en dat de rechtbank ten onrechte de termijnoverschrijding onverschoonbaar heeft geacht.
De Raad overweegt als volgt.
Het bestreden besluit is gedateerd en verzonden op 12 januari 2005. De termijn van
6 weken voor het instellen van beroep liep bijgevolg tot en met (woensdag)
23 februari 2005. Het beroepschrift is gedateerd 23 februari 2005 en blijkens het poststempel op de enveloppe waarin het is verzonden ter post aangeboden op
24 februari 2005 in Winschoten, Nederland. De omstandigheid dat appellant buiten Nederland woont, heeft niet tot gevolg dat voor hem een langere beroepstermijn geldt.
Rijst vervolgens de vraag of de rechtbank ten onrechte de termijnoverschrijding onverschoonbaar heeft geacht.
Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt (eerst) in hoger beroep een brief van het ziekenhuis te Weener/Ems, gedateerd 25 februari 2005, overgelegd. Daarin is vermeld dat appellant in dat ziekenhuis is opgenomen geweest van 5 tot en met 16 februari 2005. Daarbij gaat het evenwel slechts om 12 dagen van de beroepstermijn van in totaal
42 dagen. Daargelaten of de medische situatie waarin appellant zich tijdens die ziekenhuisopname bevond in de weg stond aan het zelf indienen van een beroepschrift - dat niet meer dan éénregelig had behoeven te zijn (beroep op nader aan te voeren gronden) - of het doen indienen daarvan, uit die brief van het ziekenhuis noch anderszins is kunnen blijken dat de medische situatie waarin appellant zich in de beroepstermijn voor èn na die opname bevond zó slecht was dat hij als gevolg daarvan niet in staat is geweest een (desnoods éénregelig) beroepschrift op te stellen en ter post te bezorgen dan wel te regelen dat een ander dat voor hem zou doen. De Raad vermag niet in te zien dat het feit dat appellant op huwelijkse voorwaarden is gehuwd en elk van de beide echtelieden zich bijgevolg beperkte tot inzage van de aan hem respectievelijk haar gerichte post daarvoor een beletsel vormde.
Van andere ziekenhuisopnames in de beroepstermijn is de Raad niet kunnen blijken.
Ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd nog verklaard dat hij welbewust het op 23 februari 2005 opgestelde en gedateerde beroepschrift niet nog diezelfde dag in zijn woonplaats in Duitsland heeft gepost, omdat het dan ongeveer 5 dagen onderweg zou zijn, doch juist (maar daags daarna) in Winschoten, net over de grens met Nederland heeft gepost omdat het dan slechts 1 dag onderweg zou zijn. Dit duidt er naar het oordeel van de Raad op dat appellant zich ervan bewust is geweest dat 23 februari 2005 de laatste dag van de beroepstermijn was en doet afbreuk aan de (zeer beperkte) mogelijkheid om verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding aan te nemen.
Gelet op het vorenstaande deelt de Raad het oordeel van de rechtbank alsook de overwegingen die haar tot dat oordeel hebben geleid.
Het hoger beroep van appellant faalt. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
SSw