ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- R. Kooper
- G.F. Walgemoed
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit over wachtgelduitkering bij bijzondere verlenging op 40% van laatstgenoten bezoldiging
Appellante was sinds 1983 in dienst bij het Rijksinstituut voor Kust en Zee en kreeg in 1997 ontslag wegens ongeschiktheid. Voorafgaand aan het ontslag werd een berekening van de wachtgelduitkering opgesteld die aanspraak gaf op een bijzondere verlenging tot het pensioen, met een uitkering gebaseerd op het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (RWB).
De minister stelde later de duur van de wachtgelduitkering lager vast en wees een bijzondere verlenging af. Appellante stelde dat haar was toegezegd dat zij tijdens de bijzondere verlenging 70% van haar laatstgenoten bezoldiging zou ontvangen, terwijl de minister het percentage op 40% had vastgesteld. De minister verweerde zich met het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst en ontkende de toezegging.
De Raad oordeelde dat de berekening van 8 augustus 1997 slechts een rekenvoorbeeld was en geen bindende overeenkomst. De verklaring van de P&O-functionaris die de toezegging zou hebben gedaan werd niet geloofd, mede omdat zij niet bevoegd was dergelijke toezeggingen te doen. De Raad bevestigde dat de minister terecht uitging van het RWB en het percentage van 40% toepaste, ook al was dit gebaseerd op niet meer geldende bepalingen.
Het hoger beroep van appellante werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad wees tevens een verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de wachtgelduitkering tijdens de bijzondere verlenging terecht op 40% van de laatstgenoten bezoldiging is vastgesteld.