ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- K.J. Kraan
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag ambtenaar na onvoldoende herplaatsingsonderzoek
Appellant was sinds 1972 werkzaam bij de gemeente Leiden en werd na reorganisaties in 1993 en 2000 in functies geplaatst waarvoor hij niet altijd geschikt was. Vanaf 1994 was hij langdurig geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Medio 2002 ontving het college bericht over een WAO-uitkering die later werd ingetrokken omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Het college achtte appellant ongeschikt voor zijn functie en sprak per 1 april 2003 ontslag uit op grond van artikel 8:6 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij feitelijk al lang niet in zijn functie werkte en dat het college geen zorgvuldig herplaatsingsonderzoek had verricht. De Raad stelde vast dat appellant geen rechtsmiddelen had aangewend tegen eerdere plaatsingsbesluiten en dat het college terecht oordeelde dat appellant ongeschikt was voor zijn functie. Hoewel appellant langdurig arbeidsongeschikt was geweest, stond dit het ontslag niet in de weg.
De Raad oordeelde dat het college gehouden was een herplaatsingsonderzoek te verrichten, maar dat dit onderzoek niet onvoldoende was gelet op de omstandigheden. Appellant kon zelf geen passende functie aangeven en nam geen initiatief tot herplaatsing. Het college had in redelijkheid het ontslagbesluit kunnen nemen. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het ontslag van appellant wegens ongeschiktheid en oordeelt dat het college in redelijkheid het ontslagbesluit kon nemen.