ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5381

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3047 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 BeroepswetArt. 6:16 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontvallen procesbelang bij WAO-uitkeringsbesluit

Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV waarbij zijn WAO-uitkering werd beëindigd en teruggevorderd. De rechtbank Leeuwarden had eerder het beroep van appellant ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het bestreden besluit van 2 april 2001, genomen op grond van de WAO, inmiddels rechtens onaantastbaar was geworden door de eerdere uitspraak van de rechtbank. Hierdoor was het procesbelang van appellant in het hoger beroep komen te vervallen.

De Raad stelde vast dat de werking van het besluit niet was geschorst door het instellen van hoger beroep, aangezien de wet geen uitzondering daarop maakt. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Partijen waren niet verschenen bij de zitting van 24 november 2006.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontvallen procesbelang.

Uitspraak

04/3047 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 april 2004, 03/1010 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 15 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld en bij brief van 7 juli 2004 enige stukken ter kennisname ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2006, waar partijen, met kennisgeving, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven.
De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij besluit van 28 september 2000 heeft besloten dat appellant met ingang van 31 december 1998 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Dit besluit is bij op bezwaar genomen besluit van 2 april 2001 gehandhaafd. Appellant is ter zake van dit besluit in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden en nadien in hoger beroep bij deze Raad. Inmiddels had het Uwv bij besluit van
23 november 2000 de over de periode 1 december 1998 tot en met 31 maart 2000 betaalde WAO-uitkering van appellant tot een bedrag van f 9.783,93 bruto (periode 1 december 1998 tot en met 31 december 1999) en f 2.407,32 netto (periode
1 januari 2000 tot en met 31 maart 2000) teruggevorderd. Laatstgenoemd besluit heeft het Uwv bij het op bezwaar genomen besluit van 12 augustus 2003 (het bestreden besluit) gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellant uitsluitend aangevoerd dat hij het niet eens is met de terugvordering, omdat met betrekking tot voormeld besluit van 2 april 2001 tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 mei 2002 tot ongegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep inmiddels hoger beroep bij deze Raad was ingesteld. Daardoor stond derhalve nog niet vast in rechte, aldus appellant, dat hij ten onrechte WAO-uitkering over voormelde periodes had ontvangen.
De Raad overweegt dat ingevolge artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) artikel 6:16 van Pro deze wet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Ingevolge deze bepaling schorst het bezwaar en beroep niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. Aangezien zich een dergelijke uitzondering zich hier niet voordoet is de werking van het besluit van 2 april 2001 door het instellen van hoger beroep niet geschorst.
Voorts overweegt de Raad dat in artikel 19 van Pro de Beroepswet is bepaald dat de werking van een uitspraak met betrekking tot een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in onderdeel C, 1 tot en met 24, van de bijlage die bij deze wet behoort, wordt opgeschort, totdat de termijn voor het voor het instellen van het hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist.
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het besluit van 2 april 2001 ingevolge de WAO is genomen en dat deze wet is opgenomen in vorenvermelde bijlage. Voorts stelt de Raad vast dat hij bij aan partijen gegeven uitspraak van 22 september 2004, LJN: AR2707, (onder meer) de uitspraak van 28 mei 2002 van de rechtbank Leeuwarden met betrekking tot de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 2 april 2001 heeft bevestigd waardoor dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden.
Gelet hierop is aan het tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep thans elk belang komen te ontvallen en dient dit niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.H. Vogt als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) L.H. Vogt.