ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5629

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3533 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WAO-uitkeringsbesluit na geschil over mate van arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig productiemedewerker en uitzendkracht, viel uit wegens diverse klachten waaronder rugklachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WAO-uitkering omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Na bezwaar kende het UWV een uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellant in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de functionele mogelijkheden van appellant, zoals vastgesteld door de bezwaarverzekeringsarts, niet waren overschat. De psychische belastbaarheid werd beperkt geacht, met een urenbeperking tot 20 uur per week.

Appellant herhaalde zijn grief dat zijn belastbaarheid was overschat, maar leverde geen nieuwe onderbouwing. De Raad vond geen aanleiding voor nader medisch onderzoek en oordeelde dat appellant op de datum in geschil medisch gezien in staat was de geselecteerde functies uit te oefenen. De arbeidskundige schatting was gebaseerd op actuele functies en een passend systeem. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het beroep verworpen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit om appellant een WAO-uitkering toe te kennen met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%.

Uitspraak

04/3533 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 15 juni 2004, 03/1104 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker/uitzendkracht via Capac Inhouse Services B.V. te Harderwijk. Hij is op 9 april 2001 uitgevallen met een scala aan klachten, waaronder rugklachten.
Bij besluit van 4 juni 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat hij, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 7 april 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 24 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en aan appellant een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Voor wat betreft de medische kant overweegt de Raad dat de functionele mogelijkheden van appellant, zoals die in de bezwaarfase door de bezwaarverzekeringsarts J.H. Nagel in zijn rapportage van 12 maart 2003 zijn beschreven, niet zijn overschat. Op basis van deels eerst in de bezwaarfase bekend geworden informatie van appellants behandelaars heeft de bezwaarverzekeringsarts de psychische belastbaarheid van appellant sterk(er) beperkt geacht en om die reden onder meer een urenbeperking tot 20 uur per week vastgesteld.
In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn eerder geformuleerde grief dat zijn belastbaarheid is overschat herhaald, maar verder niet onderbouwd met nadere gegevens, zodat de Raad onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden om tot een ander oordeel te komen of om tot het instellen van een nader medisch onderzoek te besluiten.
Ter onderbouwing van de arbeidskundige kant heeft de bezwaararbeidsdeskundige M.J.W.M. Willemse blijkens zijn rapportage van 9 juli 2003 in de bezwaarfase opnieuw het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem geraadpleegd en nieuwe functies geselecteerd, resulterend in de in het bestreden besluit neergelegde indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%.
In hoger beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman, desgevraagd door de Raad, aangetoond dat de schatting op de in geding zijnde datum op een voldoende aantal actuele functies rust.
Naar aanleiding van hetgeen dienaangaande namens appellant is aangevoerd, overweegt de Raad dat hem op grond van de beschikbare medische gegevens niet is kunnen blijken dat appellant op de datum in geding op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat was de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de geselecteerde functies. De aan die functies verbonden belasting blijft binnen de grenzen van de door de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van appellant vastgestelde belastbaarheid.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
RB0412