ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5644
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende grondslag WAO-schatting arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig lasser/bankwerker, ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door het UWV werd zijn uitkering verlaagd op basis van een schatting van 25-35% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op geschiktheid voor drie functies. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen waren onderschat en dat pas tijdens de procedure de diagnose sarcoïdose werd gesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank het geding niet op juiste wijze had behandeld, omdat nieuwe stukken zonder toestemming van partijen werden betrokken zonder nadere zitting. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en besloot de zaak zonder terugwijzing af te doen.
De Raad stelde vast dat de arbeidsongeschiktheidsschatting van appellant onvoldoende was onderbouwd, met name omdat de toelichting op de geschiktheid voor de functie wikkelaar onvoldoende overtuigend was. Er werd geconcludeerd dat appellant deze functie niet kon uitoefenen, waardoor slechts twee functies overbleven en de schatting onvoldoende grondslag had.
De Raad vernietigde het besluit van het UWV en gaf opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de arbeidsongeschiktheidsschatting en een nieuw besluit wordt bevolen.