ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5915

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6866 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 65-80% arbeidsongeschiktheid

Appellante was tot 1985 werkzaam als weegmeester vertinnerij en ontving vanaf 1993 een WAO-uitkering wegens longklachten en psychische klachten. Het UWV herzag in 2002 haar uitkering van 80-100% naar 25-35%, waarna appellante bezwaar maakte. Het bezwaar werd deels gegrond verklaard en de uitkering herzien naar 65-80%.

De Raad oordeelt dat de functionele mogelijkheden van appellante, zoals beschreven door de bezwaarverzekeringsarts, niet zijn overschat. De psychische belastbaarheid is op basis van medische rapportages adequaat ingeschat. Appellante heeft haar grief over overschatting van belastbaarheid onvoldoende onderbouwd.

De arbeidskundige beoordeling bevestigt dat de geselecteerde functies passend zijn bij de beperkingen van appellante. Ook de vaststelling van het maatmanloon is juist, ondanks dat aanvankelijk geen loongegevens bij de werkgever zijn opgevraagd. De Raad ziet geen aanleiding tot het instellen van nader medisch onderzoek en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 65-80% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

04/6866 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2004, 03/496 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 29 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2006. Namens appellante is verschenen
mr. W.F.C. van Megen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was laatstelijk tot 1985 werkzaam als weegmeester vertinnerij bij [naam werkgever]. Zij is uitgevallen met longklachten/ hyperreactief slijmvlies (COPD). Vanaf 1993 ontving zij wegens bijkomende psychische klachten een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%
Bij besluit van 21 februari 2002 heeft het Uwv die uitkering met ingang van 1 april 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij besluit van 24 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het namens appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
De Raad kan zich vinden in de ongegrondverklaring van het beroep van de rechtbank en overweegt daarover als volgt.
Voor wat betreft de medische kant overweegt de Raad dat de functionele mogelijkheden van appellante, zoals die in de bezwaarfase door de bezwaarverzekeringsarts E.G. van der Jagt in zijn rapportage van 15 augustus 2002 zijn beschreven, niet zijn overschat. Op basis van in de bezwaarfase bekend geworden informatie van appellantes behandelaar, de psychiater P.E. Wartena, heeft de bezwaarverzekeringsarts de psychische belastbaarheid van appellante sterk(er) beperkt geacht.
In hoger beroep heeft appellante in essentie haar eerder geformuleerde grief, dat haar belastbaarheid is overschat, herhaald, maar verder niet onderbouwd met nadere gegevens, zodat de Raad onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden om tot een ander oordeel te komen of om tot het instellen van een nader medisch onderzoek te besluiten.
Ter onderbouwing van de arbeidskundige kant heeft de bezwaararbeidsdeskundige H. Demkes blijkens zijn rapportage van 4 december 2002 de in de bezwaarfase geselecteerde functies in het licht van de gestelde nadere beperkingen op psychisch vlak nogmaals beoordeeld. Een aantal functies is daarbij komen te vervallen, resulterend in de in het bestreden besluit neergelegde indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%.
Het is de Raad - evenals de rechtbank - niet gebleken dat appellante op de datum in geding op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat was de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de geselecteerde functies.
Met betrekking tot de opgeworpen grief betreffende de onjuiste vaststelling van het maatmanloon merkt de Raad nog op dat de bezwaararbeidsdeskundige P. Thoen in een rapportage van 28 juni 2005 heeft aangegeven dat ten onrechte geen poging is gedaan loongegevens bij de oorspronkelijke werkgever te verzamelen. Uitgaande van de nog bij [naam werkgever] te achterhalen gegevens heeft hij gemotiveerd aangegeven dat appellante met de indeling zoals in het bestreden besluit aangegeven niet te kort is gedaan.
Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 december 2006.
(get.) R.C. Stam.
(get.) D. Olthof.