ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens ontbreken dringende reden
Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV van de terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode juli tot november 2000 af moest zien vanwege een dringende reden zoals bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO. Dit beroep werd door de rechtbank Rotterdam verworpen en de Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze conclusie.
De Raad overweegt dat dringende redenen uitzonderlijke gevallen betreffen waarin terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor de betrokkene zou hebben. De enkele vertraging in de besluitvorming en het feit dat appellante door het UWV schriftelijk op de hoogte was gesteld van een onderzoek naar het recht op uitkering, vormen geen dringende reden. Tevens is gewezen op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarbij het beroep binnen een redelijke termijn moet worden ingesteld, wat hier niet is gebeurd.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De terugvordering van € 644,80 blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de terugvordering van de WAO-uitkering handhaaft wegens het ontbreken van een dringende reden om hiervan af te zien.