ECLI:NL:CRVB:2006:AZ7017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding wettelijke beslistermijn en rentevergoeding bij WW-uitkering
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de toekenning van een WW-uitkering aan betrokkene. Betrokkene had in 1994 een WW-uitkering toegekend gekregen, waarbij later een herziening van het dagloon met terugwerkende kracht werd gevraagd. Het UWV verhoogde het dagloon in 2003 en betaalde een nabetaling met rente vanaf 1 oktober 2001.
De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit uit 1994 onrechtmatig was en dat het UWV vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd was. Het UWV erkende de onrechtmatigheid maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moesten komen, mede omdat betrokkene geen bezwaar had gemaakt tegen de oorspronkelijke dagloonvaststelling.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dat het UWV het verzoek van betrokkene binnen de wettelijke beslistermijn had moeten afhandelen, wat niet is gebeurd. Het UWV heeft terecht rente toegekend vanaf 1 oktober 2001, maar heeft nagelaten rente over rente toe te kennen. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit, zij het op andere gronden dan de rechtbank had gedaan.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene, vastgesteld op € 644,-. Het UWV moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens het niet toekennen van rente over rente en het UWV moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar.