ECLI:NL:CRVB:2006:AZ7017

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4337 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overschrijding wettelijke beslistermijn en rentevergoeding bij WW-uitkering

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de toekenning van een WW-uitkering aan betrokkene. Betrokkene had in 1994 een WW-uitkering toegekend gekregen, waarbij later een herziening van het dagloon met terugwerkende kracht werd gevraagd. Het UWV verhoogde het dagloon in 2003 en betaalde een nabetaling met rente vanaf 1 oktober 2001.

De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit uit 1994 onrechtmatig was en dat het UWV vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd was. Het UWV erkende de onrechtmatigheid maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moesten komen, mede omdat betrokkene geen bezwaar had gemaakt tegen de oorspronkelijke dagloonvaststelling.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef dat het UWV het verzoek van betrokkene binnen de wettelijke beslistermijn had moeten afhandelen, wat niet is gebeurd. Het UWV heeft terecht rente toegekend vanaf 1 oktober 2001, maar heeft nagelaten rente over rente toe te kennen. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit, zij het op andere gronden dan de rechtbank had gedaan.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene, vastgesteld op € 644,-. Het UWV moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens het niet toekennen van rente over rente en het UWV moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar.

Uitspraak

04/4337 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
UITSPRAAK
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 juli 2004, 03/1406 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voomoemd.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 20 januari 1994 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 3 januari 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 6 juli 2001 heeft appellant bij besluit van 28 april 2003 het WW-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 20 juni 2003 heeft appellant een bedrag ad € 249,53 over de uit het besluit van 28 april 2003 voortvloeiende nabetaling toegekend aan betrokkene. Hierbij is als ingangsdatum voor de rentevergoeding 1 oktober 2001 gehanteerd. Bij besluit op bezwaar van 24 September 2003 is het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2003 ongegrond verklaard.
Volgens de rechtbank moet het besluit van 20 januari 1994 als onrechtmatig worden aangemerkt en de rechtbank is van oordeel dat appellant ingaande 1 februari 1994 wettelijke rente is verschuldigd.
Appellant erkent dat het besluit van 20 januari 1994 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van lange tijd verzocht om herziening van het dagloon.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN: AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant.
Zoals uit die uitspraak ook blijkt, had appellant wel binnen de wettelijke beslistermijn op het op 9 juli 2001 ontvangen verzoek van betrokkene van 6 juli 2001 moeten beslissen. Door dit eerst op 28 april 2003 te doen is die termijn overschreden. Terecht heeft appellant in verband daarmee besloten ingaande 1 oktober 2001 wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden.
Het voorgaande betekent echter niet dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Ter zitting is gebleken dat appellant heeft verzuimd rente over rente toe te kennen, De rechtbank heeft dan ook het bestreden besluit terecht vernietigd, zij het op onjuiste gronden. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.
De Raad ziet in een en ander aanleiding appellant te veroordelen tot betaling van de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbij stand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen op het
bezwaar van betrokkene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 644,--, te
betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de
Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.
BKH 250806