ECLI:NL:CRVB:2006:AZ7280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens na nalatenschap
Appellant, die gehandicapt is en bijstand ontving op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), erfde een deel van de nalatenschap van zijn moeder, waaronder een woning die werd verkocht. De opbrengst van de verkoop leidde ertoe dat appellant vanaf 30 april 2001 beschikte over middelen die de vermogensgrens overschreden. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam stopzette daarop de bijstand en vorderde de kosten van bijstand over de periode 30 april 2001 tot en met 31 augustus 2002 terug.
Appellant stelde dat hij niet was geïnformeerd over de terugvordering en dat hij gerechtvaardigde verwachtingen had over het gebruik van de erfenis voor noodzakelijke uitgaven. De Raad oordeelde echter dat artikel 82 Abw Pro dwingendrechtelijk is en dat het niet vereist is dat de betrokkene over de terugvordering wordt geïnformeerd. Ook was niet gebleken dat het College onrechtmatige verwachtingen had gewekt.
De Raad bevestigde dat het College terecht de bijstand terugvorderde, gelet op het feit dat appellant vanaf de peildatum beschikte over middelen boven de vermogensgrens. Het verzoek om schadevergoeding en proceskosten werd afgewezen. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd met verbetering van gronden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en wijst het verzoek om schadevergoeding af.