ECLI:NL:CRVB:2006:AZ8432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante, voormalig verkoopster bij de Hema, ontving sinds 1982 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW en WAO. In 1986 werd deze uitkering ingetrokken omdat zij toen minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Eerdere beroepsprocedures bevestigden dit besluit, ondanks de diagnose hypogammaglobulinemie die pas later werd vastgesteld.
In 2000 en 2002 weigerde het UWV terug te komen op het intrekkingsbesluit, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep bevestigden deze weigering, waarbij werd overwogen dat de medische rapporten geen aanwijzingen bevatten dat de ziekte op of kort na 1 maart 1986 al aanwezig was of tot meer arbeidsbeperking leidde.
De Raad benadrukte dat het UWV een nader gemotiveerd besluit moet nemen over de aanspraken van appellante voor de periode na vier weken na 1 maart 1986, met aandacht voor medische behandelingen in 1987 en de duur van eerdere uitkeringen. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 Awb Pro. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten.