ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herziening WAO-uitkering wegens ontbrekende onderbouwing met instandhouding rechtsgevolgen
Appellant, een betontimmerman, meldde zich in 1998 ziek met rugklachten en ontving vanaf 1999 een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. In 2003 herzag het UWV de uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op een arbeidsdeskundig rapport dat het verlies aan verdiencapaciteit op 18,06% stelde. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat zijn medische klachten onvoldoende waren meegewogen, met verwijzing naar aanvullende medische rapporten van diverse specialisten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat het UWV het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) gebruikte voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Hoewel het CBBS in beginsel aanvaardbaar is, stelt de Raad hoge eisen aan de motivering en verslaglegging. In dit geval ontbrak aanvankelijk een voldoende onderbouwing, maar deze werd later alsnog geleverd door een bezwaararbeidsdeskundige en een bezwaarverzekeringsarts.
De Raad concludeerde dat de ontbrekende onderbouwing alsnog is gegeven, waardoor het bestreden besluit vernietigd moest worden, maar de rechtsgevolgen van het besluit met toepassing van de Awb in stand konden blijven. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten aan appellant, bestaande uit kosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.