ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6625

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2746 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 AAWartikel 4 Coördinatiewet Sociale Verzekeringartikel 3a Coördinatiewet Sociale Verzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking en loonverrekening met WAZ-uitkering

Appellant stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en betwistte de kwalificatie van kasopnamen als loon. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het oordeel over de dienstbetrekking reeds rechtens onaantastbaar was vastgesteld in een eerdere uitspraak van 22 januari 2004.

De Raad benadrukte dat de kasopnamen van appellant onder de vermelding 'loon' of 'voorschot loon' uit de kas van het bedrijf zijn gedaan en dat het bedrijf onvoldoende heeft onderbouwd dat deze bedragen onkostenvergoedingen zouden betreffen. De enkele verwijzing naar een positief looncontrolerapport was onvoldoende om het eerdere oordeel te wijzigen.

Het hoger beroep faalt daarom en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 januari 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

04/2746 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (België) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2004, 02/1910 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H. Sligchers, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2006. Voor appellant is verschenen mr. J.H. Sligchers en voor het Uwv A.M.C. Crombach.
II. OVERWEGINGEN
Onder verwijzing naar de in het geding tussen de Belgische [naam bedrijf] ([bedrijf]), waarvan appellant sedert de vestiging ervan op
5 juli 1995 als directeur te boek staat, en het Uwv gewezen uitspraak van de Raad van
22 januari 2004, 01/3902 CSV, heeft de rechtbank in de aangevallen, tot ongegrondverklaring strekkende uitspraak (onder meer) overwogen dat appellant in privaatrechtelijke dienstbetrekking tot [bedrijf] stond en dat de door [bedrijf] aan hem betaalde onkostenvergoedingen en zijn kasopnamen onder de vermelding “loon” en “voorschot loon” als loon en derhalve als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 33 van Pro de AAW moeten worden aangemerkt, zodat het Uwv deze inkomsten, waarvan de hoogte door appellant niet is bestreden, terecht heeft verrekend met de (per 1 januari 1998 van rechtswege in WAZ-uitkering omgezette) AAW-uitkering aan appellant.
In hoger beroep heeft appellant herhaald hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd en daaraan toegevoegd dat hem bekend is dat [bedrijf] bij de Hoge Raad der Nederlanden beroep in cassatie heeft ingesteld tegen de evenvermelde uitspraak van de Raad van 22 januari 2004. Ter zitting heeft appellant benadrukt dat het in de thans aanhangige zaak gaat om volledige heroverweging ten aanzien van de feiten en met name de vragen of er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en van loon. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat in het looncontrolerapport van 18 juni 1998 is vermeld: "Algemene indruk omtrent de administratie is goed.".
De Raad is er ambtshalve mee bekend dat de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 4 maart 2005, 485, onder meer heeft overwogen dat het middel dat zich keert tegen het oordeel van de Raad dat is voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking niet tot cassatie kan leiden, omdat dat oordeel niet de uitlegging of toepassing van artikel 4 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekering (tekst 1998), doch de toepasselijkheid van het in artikel 3a van die wet gebezigde begrip dienstbetrekking betreft.
Het geschil in het thans bij de Raad aanhangige hoger beroep wordt beheerst door het antwoord op de vraag of appellant (in de desbetreffende periode) in privaatrechtelijke dienstbetrekking tot [bedrijf] stond. Die vraag is door de Raad bevestigend beantwoord bij zijn rechtens onaantastbaar geworden uitspraak van 22 januari 2004. Om te kunnen vaststellen dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, moet voor de Raad zijn komen vast te staan dat er sprake was van loon. Te dien aanzien heeft de Raad in zijn uitspraak overwogen dat appellant wekelijks bedragen ad f 500,-- uit de kas van [bedrijf] heeft opgenomen onder vermelding van "loon" of "voorschot loon" en dat [bedrijf] haar stelling dat de door appellant opgenomen bedragen dienden ter vergoeding van door hem gemaakte onkosten, onvoldoende heeft onderbouwd.
Weliswaar is die uitspraak gewezen in het geschil tussen [bedrijf] - toen vertegenwoordigd door mr. J.H. Sligchers, appellants huidige advocaat - en het Uwv en was appellant daarbij geen partij, maar appellant heeft geen gegevens aangevoerd die aanleiding kunnen geven om in het thans aanhangige kader een ander antwoord op die vraag te geven. De enkele door appellant aangehaalde vermelding in het looncontrolerapport vormt onvoldoende basis om ervan uit te gaan dat er geen sprake was van loon als één van de essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat er bij appellant sprake was van inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 33 van Pro de AAW.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt.
Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) D. Olthof.
RB2912