ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihilstelling grondslag WAZ-uitkering wegens geen winst als zelfstandige
Appellant, die sinds oktober 1999 als zelfstandige werkte, vroeg op 12 juli 2002 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan na een auto-ongeval. Het UWV kende hem per 23 juni 2001 een WAZ-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%, maar stelde de grondslag van de uitkering op nihil vanwege het ontbreken van winst uit zelfstandige werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat vaststond dat hij geen winst had behaald. Appellant voerde aan dat het UWV het besluit niet in redelijkheid had kunnen nemen en beriep zich op artikel 10 van Pro het Inkomensbesluit WAZ.
De Raad oordeelde dat vaste jurisprudentie bepaalt dat bij geen winst de grondslag op nihil moet worden gesteld, omdat de WAZ uitgaat van feitelijke inkomensderving. Het advies van het UWV om als zelfstandige te werken en het beroep op artikel 10 van Pro het Inkomensbesluit WAZ konden hieraan niets afdoen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De grondslag van de WAZ-uitkering wordt op nihil gesteld omdat appellant geen winst heeft gemaakt als zelfstandige.