ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6642

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4619 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak over vergoeding proceskosten in bezwaarfase bij WAO-uitkering

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het beroep van betrokkene gegrond verklaarde en het bestreden besluit vernietigde. De rechtbank had appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en deskundigenkosten gemaakt in de bezwaarfase.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte artikel 7:15 Awb Pro had toegepast. Deze bepaling vereist dat het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, terwijl in dit geval het besluit niet was herroepen en de vernietiging was gebaseerd op een ondeugdelijke motivering, niet op inhoudelijke fouten.

Daarom vernietigde de Raad het deel van de uitspraak dat appellant verplichtte tot vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 5 januari 2007 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het deel van de uitspraak dat appellant tot vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase verplicht.

Uitspraak

05/4619 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juni 2005, 04/4676 WAO, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[adresbetr], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 5 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft K. Abel, medewerker van de Juricon Adviesgroep BV te Assen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout, werkzaam bij appellant. Namens betrokkene heeft J.R. Beukema, als vervanger van boven genoemde gemachtigde, het woord gevoerd.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 24 oktober 2003 heeft appellant de aan betrokkene toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 24 december 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25 %.
Het daartegen namens betrokkene gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 30 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft de medische grondslag van dit besluit onderschreven, maar geoordeeld dat appellant de arbeidskundige grondslag ervan onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft het beroep derhalve gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Tevens heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten (ten bedrage van € 966,--) en in de kosten van deskundigenrapportages (twee maal € 740,52), waarbij de rechtbank ook het indienen van een bezwaarschrift in aanmerking heeft genomen.
Namens betrokkene is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, bij de Raad geregistreerd onder nr. 05/4427 WAO. Ook appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft appellant er met name op gewezen dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 8:75 in Pro verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een voorwaarde voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is immers de herroeping van het primaire besluit - waarvan in dit geval (nog) geen sprake is -, terwijl van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid als in dit artikelonderdeel bedoeld slechts sprake is bij het verwijtbaar maken van inhoudelijke fouten en niet (als hier aan de orde) bij (een vernietiging wegens) een ondeugdelijke motivering.
Betrokkene heeft zich op dit punt aan het oordeel van de Raad gerefereerd.
De Raad oordeelt als volgt.
Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb stelt uitdrukkelijk als voorwaarde voor het vergoeden door het bestuursorgaan van in bezwaar gemaakte kosten dat, onder andere, het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt, wordt herroepen wegens een aan dat orgaan te wijten onrechtmatigheid. Het primaire besluit is echter niet door appellant herroepen en ook de rechtbank heeft zulks niet, met gebruikmaking van artikel 8:72, vierde lid van de Awb, gedaan. Aan deze voorwaarde voor toewijzing van een verzoek tot vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten was derhalve niet voldaan.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep in zoverre slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat appellant proceskosten gemaakt in de bezwaarfase dient te vergoeden.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat appellant proceskosten dient te vergoeden die betrekking hebben op kosten gemaakt in de bezwaarfase.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.
RB1201