ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting WAO-uitkering wegens arbeidsinkomsten gehandicaptenbegeleidster
Appellante maakte bezwaar tegen de korting op haar WAO-uitkering over de jaren 1999, 2001 en 2002, omdat zij volgens het UWV arbeidsinkomsten had genoten als gehandicaptenbegeleidster. Zij ontkende inkomsten in 1999 en stelde dat haar dochter de werkzaamheden had verricht. De rechtbank wees haar beroep af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs leverde voor haar stelling dat haar dochter de werkzaamheden had verricht en volgde het gedocumenteerde standpunt van het UWV dat appellante zelf de werkzaamheden had uitgevoerd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel op basis van een brief van het UWV uit 2000 werd afgewezen, omdat appellante onjuiste informatie had verstrekt en het UWV niet verplicht was de arbeidsinkomsten buiten beschouwing te laten.
Verder stelde de Raad vast dat alle feitelijk verworven arbeidsinkomsten in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO, inclusief vergoedingen voor niet genoten vakantie-uren. Er waren geen zelfstandige beroepsgronden tegen het besluit tot verlaging van de toeslag. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De korting op de WAO-uitkering en verlaging van de toeslag wegens arbeidsinkomsten worden bevestigd.