ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6892

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-7153 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit ondanks betwisting concentratie- en slaapproblemen

Appellant is sinds februari 2001 arbeidsongeschikt wegens nek-, rechterarm- en psychische klachten. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%, later bijgesteld naar 25 tot 35%.

Appellant betwistte dit en stelde dat zijn concentratieverlies en slaapproblemen onvoldoende waren meegewogen, waardoor hij recht zou hebben op een hogere uitkering (80-100%). Hij bracht echter geen medische onderbouwing of rapport van een onafhankelijk arts in, noch was hij voor genoemde klachten in behandeling.

De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat er geen objectief-medische gronden waren om de bevindingen van de verzekeringsartsen te verwerpen. De Raad bevestigde dat appellant in staat was de werkzaamheden te verrichten die aan de schatting ten grondslag lagen en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellant recht heeft op een WAO-uitkering van 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

04/7153 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 november 2004, 03/3125 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 1 december 2006. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is in februari 2001 wegens nekklachten en rechterarmklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als voltijds onderhoudsmedewerker. Naast genoemde klachten spelen ook psychische klachten.
Bij besluit van 26 november 2002 heeft het Uwv aan appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 27 februari 2002, een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij besluit van 8 september 2003 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 november 2002 ongegrond verklaard.
Nadat appellant beroep had ingesteld tegen het besluit van 8 september 2003, heeft
het Uwv bij nader besluit van 19 mei 2004 het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2002 alsnog gegrond verklaard, en de mate van arbeidsongeschiktheid
van appellant op en na 27 februari 2002 nader vastgesteld 25 tot 35%.
De rechtbank heeft het beroep van appellant met toepassing van artikel 6:18 en Pro artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 19 mei 2004, hierna: het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 september 2003 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het namens appellant tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep dient aldus te worden verstaan dat dit uitsluitend is gericht tegen de ongegrond verklaring van het beroep tegen het bestreden besluit.
De Raad overweegt als volgt.
Appellant houdt in hoger beroep zijn door de rechtbank verworpen eigen opvatting staande dat de medische onderzoeken door de verzekeringsartsen van het Uwv onvoldoende gericht zijn geweest op zijn concentratieverlies en zijn slaapproblemen en dat daarom onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten. Appellant acht zich niet in staat om (zonder urenbeperking) loonvormende arbeid te verrichten en meent dat hij in elk geval buiten staat is de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Hij is de opvatting toegedaan dat hem in verband hiermee een WAO-uitkering toekomt op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep zijn vorenomschreven eigen opvatting niet aan de hand van medische gegevens heeft onderbouwd. Zoals de rechtbank heeft overwogen geldt voorts dat appellant zich voor de genoemde concentratieproblemen en slaapproblemen niet onder behandeling heeft gesteld. Er is - dan ook - geen informatie van een behandelaar voorhanden die zou kunnen dienen tot steun voor appellants eigen opvatting. Evenmin heeft appellant het in het beroepschrift ter nadere onderbouwing van zijn grieven in het vooruitzicht gestelde rapport van een onafhankelijk arts in het geding gebracht.
Gelet op het bovenstaande en mede nog in aanmerking genomen dat met appellants lichamelijke klachten rekening is gehouden bij het opstellen van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende belastbaarheidspatroon - de grieven van appellant hebben overigens op zijn lichamelijke klachten en beperkingen geen betrekking - concludeert de Raad in navolging van de rechtbank dat hem niet is kunnen blijken van objectief-medische gronden om de bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekerings-arts van het Uwv voor onjuist te houden.
Voor de Raad staat voorts genoegzaam vast dat appellant ten tijde hier in geding in staat was de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. De Raad heeft daarbij mede acht geslagen op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige C.G.H.J. Habets van 19 april 2004.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.