ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6900

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-7180 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing over WAO-uitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid

Appellant is sinds februari 2002 arbeidsongeschikt wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is, zowel op medische als arbeidskundige gronden. Hij verwees naar rug-, maag- en psychische klachten en stelde dat de voor hem gekozen functies niet passend waren vanwege zijn opleidingsniveau en beperkte taalvaardigheid.

De Raad oordeelde dat appellant zijn medische grieven onvoldoende concreet had onderbouwd en dat de verzekeringsartsen van het UWV de beperkingen niet hadden onderschat. Ook waren de functies passend, mede gelet op het eenvoudige karakter daarvan en appellants eerdere werkervaring. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellant slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

04/7180 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 november 2004, 03/2574 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Bij brief van 22 augustus 2006 heeft de Raad informatie aan appellants raadsman verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2006. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.B. Snoek.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is in februari 2002 wegens verschillende lichamelijke klachten en psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker.
Bij besluit van 21 mei 2003 is hem met ingang van 19 februari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij besluit van 23 oktober 2003, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 mei 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft overwogen dat op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen van het Uwv bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt, aldus de rechtbank, uit de rapportages dat deze artsen op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder zijn rug- en spanningsklachten, maagklachten en zijn problemen met nierstenen. Verder heeft appellant geen nadere informatie overgelegd ter zake van zijn stelling dat hij op basis van zowel zijn lichamelijke als zijn psychische beperkingen als geheel arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.
De rechtbank heeft zich ook kunnen verenigen met de bij de schatting in aanmerking genomen functies. De passendheid daarvan is naar het oordeel van de rechtbank door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende overtuigend toegelicht.
Appellant heeft in hoger beroep zijn opvatting herhaald dat hij zowel op medische als arbeidskundige gronden als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt. Wat betreft de medische gronden wijst appellant op zijn rugklachten, zijn overige lichamelijke klachten en zijn psychische klachten. Wat betreft de arbeidskundige gronden stelt appellant dat de functies voor hem niet passend zijn, gelet onder meer op zijn opleidingsniveau en zijn beperkte Nederlandse taalgevoel.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat appellant zijn grieven van medische aard ook in hoger beroep niet aan de hand van enig concreet medisch gegeven nader heeft onderbouwd. Gelet hierop en tegen de achtergrond van het geheel van de omtrent appellant beschikbare verzekeringsgeneeskundige en andere medische gegevens - waaruit naar voren komt dat er objectief-medisch gezien slechts sprake is van relatief geringe beperkingen en derhalve van ruime resterende arbeidsmogelijkheden - heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om mee te kunnen gaan met de eigen opvatting van appellant dat hij vanwege zijn medische beperkingen volledig arbeidsongeschikt is. In navolging van de rechtbank houdt ook de Raad het ervoor dat de verzekeringsartsen van het Uwv de beperkingen van appellant niet hebben onderschat.
Voorts is de Raad niet tot de overtuiging kunnen komen dat de bij de schatting gebruikte functies - onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting merkt de Raad op dat de opsomming van die functies in de aangevallen uitspraak niet geheel correct is - in medisch en arbeidskundig opzicht niet voor appellant passend zouden zijn.
Gelijk de rechtbank acht de Raad de door het Uwv bij monde van zijn bezwaararbeidsdeskundige verstrekte toelichting op de medische geschiktheid van die functies toereikend.
Verder vermag de Raad appellant evenmin te volgen in zijn stelling dat de functies in arbeidskundig opzicht voor hem te hoog gegrepen zijn. Wat er overigens zij van de gestelde beperkte taalvaardigheid van appellant in de Nederlandse taal, overweegt de Raad dat de gebruikte functies van betrekkelijk eenvoudige aard zijn en dat derhalve aannemelijk is dat de eisen die daarin worden gesteld aan die taalvaardigheid ook een beperkt karakter zullen hebben. Afgezien daarvan geldt dat appellant geruime tijd in diverse soortgelijke productiefuncties heeft kunnen functioneren, terwijl gesteld noch gebleken is dat hij daarbij wezenlijke problemen heeft ondervonden met betrekking tot zijn beheersing van de Nederlandse taal.
Wat betreft de opleidingseisen van de functies: als hoogste opleidingseis wordt in de gebruikte functies gevraagd dat de basisschool moet zijn doorlopen. Uit de stukken komt naar voren dat appellant in Marokko - alle klassen - normaal lager onderwijs heeft gevolgd en derhalve geacht kan worden aan die eis te voldoen. Ook hier geldt overigens dat zijn beperkte opleiding, gegeven appellants arbeidsverleden hier te lande, kennelijk geen obstakel voor hem heeft gevormd vergelijkbare functies te vervullen.
De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.