ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6903

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3304 ZFW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, vierde lid, aanhef en onder a, ZfwBesluit aanwijzing van uitkeringen of bestanddelen van uitkeringen welke voor de toepassing van de loongrens niet tot het loon worden gerekend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verplichtstelling Ziekenfondswet ondanks freelance inkomsten

Appellante stelde in hoger beroep dat haar freelance inkomsten meegewogen moesten worden bij de vaststelling van haar verplichting tot verzekering op grond van de Ziekenfondswet (Zfw). Het UWV had eerder besloten dat deze inkomsten buiten beschouwing moesten blijven bij de toetsing aan de loongrens.

De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard omdat niet was gebleken dat de freelance inkomsten voldeden aan de criteria van vast overeengekomen loon zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Zfw. De Raad sluit zich hierbij aan en benadrukt het wisselende karakter van freelance inkomsten, waardoor deze niet als vast loon kunnen worden aangemerkt.

De Raad overweegt dat het aangevallen besluit van het UWV terecht is gehandhaafd en dat het Besluit aanwijzing van uitkeringen die buiten de loongrens vallen, niet anders bepaalt voor freelance inkomsten. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat freelance inkomsten niet meetellen als vast loon voor de Ziekenfondswet, waardoor de verplichte verzekering blijft gehandhaafd.

Uitspraak

05/3304 ZFW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 april 2005, 04/875 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 4 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appelante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv - daartoe ambtshalve opgeroepen - heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Ziekenfondswet (Zfw) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.
Bij besluit van 12 november 2003 heeft het Uwv na toetsing van het inkomen van appellante op de peildatum 1 november 2003 bepaald dat appellante met ingang van 1 januari 2004 verplicht verzekerd is voor de Zfw. Het inkomen van appellante op 1 november 2003 bestond uit een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, een uitkering uit een lijfrenteverzekering en uit inkomsten uit freelance werkzaamheden.
Bij besluit van 18 maart 2004 heeft het Uwv zijn besluit van 12 november 2003 gehandhaafd. Daarbij heeft het Uwv onder meer overwogen dat de inkomsten uit freelance werkzaamheden buiten beschouwing dienen te worden gelaten bij toetsing van de inkomsten van appellante aan de zogeheten loongrens, welke voor 2004 was bepaald op € 32.600,-.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 18 maart 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de hoogte van de uitkering uit een lijfrenteverzekering tussen partijen niet in geschil is en dat evenmin in geschil is dat deze uitkering verband houdt met een door appellante uitgeoefende dienstbetrekking en derhalve moet worden aangemerkt als vast overeengekomen loon als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Zfw. Met betrekking tot de inkomsten van appelante uit freelance werkzaamheden heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat er op de peildatum sprake was van een overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in geld vastgestelde uitkering welke appellante als vergoeding voor haar arbeid van haar werkgever ontvangt, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Zfw. De enkele mededeling van appellante dat zij slechts voor één opdrachtgever werkt, leidt niet tot een andere beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv deze inkomsten dan ook terecht buiten beschouwing gelaten. Daarbij heeft de rechtbank nog opgemerkt dat niet is gebleken dat het Besluit aanwijzing van uitkeringen of bestanddelen van uitkeringen welke voor de toepassing van de loongrens niet tot het loon worden gerekend, niet van belang is.
In hoger beroep heeft appellante haar stelling gehandhaafd dat er rekening had moeten worden gehouden met haar inkomsten uit freelance werkzaamheden. Daarbij heeft zij gewezen op artikel 1 van Pro het Besluit aanwijzing van uitkeringen of bestanddelen van uitkeringen welke voor de toepassing van de loongrens niet tot het loon worden gerekend.
Met de rechtbank en in navolging van het Uwv ziet ook de Raad geen grond om inkomsten van appellante uit haar freelance werkzaamheden aan te merken als een vast overeengekomen vergoeding voor haar arbeid in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Zfw. Eigen aan inkomsten uit freelance werkzaamheden is het wisselend karakter daarvan, althans naar tijdsruimte. Het door appellante genoemde artikel uit meergenoemd besluit maakt dit niet anders, nu dit artikel ziet op loonbestanddelen die buiten aanmerking worden gelaten op het vast overeengekomen loon.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.