ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6932
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van mindering WAZ-uitkering op WAO-uitkering bij inkomsten uit arbeid
Appellant, een zelfstandig glazenwasser en schoonmaker, ontvangt sinds 1992 uitkeringen op grond van de AAW en WAO. De AAW-uitkering is per 1998 voortgezet als WAZ-uitkering. Het Uwv heeft de WAO-uitkering gedeeltelijk verlaagd vanwege vermoedelijke inkomsten uit arbeid in 2001 en 2002, gebaseerd op loonstroken die salarisbetalingen aantonen.
Appellant betwistte dit en stelde dat hij in die jaren geen arbeid heeft verricht en dat de WAZ-uitkering niet op de WAO-uitkering in mindering mag worden gebracht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een besluit gegrond, maar het beroep tegen het besluit van het Uwv ongegrond.
De Raad oordeelt dat artikel 84a WAO van toepassing blijft op vrijwillig verzekerden zoals appellant, waardoor de WAO-uitkering slechts wordt uitbetaald voor het bedrag dat de WAZ-uitkering overstijgt. De loonstroken vormen duidelijke aanwijzingen dat appellant inkomsten uit arbeid had, wat een gegrond vermoeden geeft voor een lagere uitkering. De Raad bevestigt daarom het besluit van het Uwv en wijst het hoger beroep af.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 januari 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAZ-uitkering in mindering mag worden gebracht op de WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid.